Radicale stilstand

De architectuurwereld is in de ban van behoud van het bestaande. Die liefde schiet door, vindt Rem Koolhaas. Het verleden is de nieuwe toekomst, blijkt op de biënnale in Venetië.

De Architectuurbiënnale heeft dit jaar een ongebruikelijk heldere en eenduidige boodschap: de toekomst van de architectuur is niet het bouwen van het nieuwe, maar het vernieuwen van het bestaande. Van Bahrein tot Nederland, van Rusland tot België, overal op deze twaalfde editie van de biënnale wordt de toekomst in het verleden en in het bestaande gezocht.

Zelfs Rem Koolhaas, wereldwijd bekend als visionair, houdt zich nu bezig met de onze verhouding tot oude gebouwen en de wens steeds meer te behouden en te beschermen – of beter gezegd, af te schermen. Hij presenteerde een plan voor de verbouwing van de dertiende-eeuwse Duitse handelspost, de Fondaco dei Tedeschi naast de Rialto-brug in Venetië. Sinds Mussolini doet het dienst als postkantoor, nu wordt het in opdracht van Benetton een chic warenhuis en cultureel centrum. Zowel het dak als het binnenplein – „de grootste overdekte ruimte in Venetië”, zegt Koolhaas – worden weer levendige openbare ruimte.

Op de tentoonstelling Preservation analyseert hij messcherp hoe we in de ban raken van het behoud zonder te weten waar het ons heen voert. Dit tijdsgewricht wordt gekenmerkt door zowel radicale verandering als radicale stilstand, stelt Koolhaas, en we hebben geen idee hoe daarmee om te gaan. Terwijl golven van verstedelijking over de wereld spoelen worden tegelijkertijd steeds grotere delen van onze omgeving bevroren, off limits verklaard, „onderworpen aan beschermingsregimes die we niet kennen, niet hebben doordacht en niet kunnen beïnvloeden”.

De beschermingscyclus wordt steeds korter en amechtiger. Koolhaas geeft als voorbeeld de villa die hij in Bordeaux bouwde voor een opdrachtgever in een rolstoel. Binnen drie jaar was het al tot monument verklaard, maar de opdrachtgever overleed ook snel en het gebouw dat zijn oorspronkelijke doelstelling had verloren, zat als een vlieg in hars gevangen.

Nog een bezwaar van de doorgeschoten liefde voor het verleden: de nadruk ligt altijd op het bijzondere. „Het exceptionele wordt de norm. Er zijn geen ideeën voor het bewaren van het middelmatige, het generieke.”

In Nederland moeten we eerst een bestemming vinden voor de duizenden gebouwen die er leegstaan, vinden de makers van de installatie in het Nederlandse paviljoen. In opdracht van het Nederlandse Architectuurinstituut heeft Ronald Rietveld van Rietveld Landscape, samen met industrieel ontwerper Jurgen Bey, kunstenaar Barbara Visser, grafisch vormgever Joost Grootens, NAi-projectleider Saskia van Stein en zijn broer, filosoof en econoom Erik Rietveld ‘Vacant NL’ gemaakt. Het paviljoen is wit en leeg, maar boven je hoofd hangt een landschap, opgebouwd uit zo’n duizend gebouwen die al leegstaan én die leeg komen te staan op korte termijn, in Nederland – elke week komen er weer twee kerken in Nederland leeg te staan, aldus de makers.

De installatie is gemaakt van het blauwe schuim waar architecten maquettes van maken. Vanaf een hogergelegen tussenverdieping kijk je uit over een zee van gebouwen met een publieke functie: vuurtorens en watertorens, steenfabrieken en sportzalen, bunkers en forten, kerken en kloosters, zwembaden en ziekenhuizen.

Het is een tot de verbeelding sprekende oproep aan de politiek. „Leegstand kost nu alleen maar geld”, zegt Ronald Rietveld. „Laten we die ruimte gebruiken om de creatieve sector betaalbare, inspirerende werkruimte te bieden.”

Het Nederlandse en het Belgische paviljoen blijken verrassend complementair te zijn. Het Belgische collectief Rotor onderzoekt het fenomeen van slijtage door fragmenten van vloeren en onderdelen uit gebouwen als kunstwerken aan de muren te hangen. Versleten Heugetegels, vermoeid laminaat, oude stoelen uit de metro, een trapleuning naar het niets – slijtage is ook vertrouwdheid.

Ook in golfstaatje Bahrein, waar de kust in rap tempo wordt volgebouwd met glimmende wolkenkrabbers, is er hang naar het verleden. Geen monumentenzorg in de westerse zin, maar de zelfredzaamheid van vissers die hun eigen hangplek van sloophout en oude tapijten bouwen op de weinige stukken strand die niet achter hekken zijn verdwenen. Een paar ervan zijn gedemonteerd en in Venetië weer opgebouwd onder de title Reclaim. De Biënnale beloonde Bahrein met de gouden leeuw voor de beste landenpresentatie vanwege zijn moed om deze „indringende zelfanalyse” te presenteren.

De houten hutten zijn vluchtige, informele en waarschijnlijk illegale bouwsels waarmee de vissers weer een eigen plek aan de kust hebben veroverd. Uit nood geboren maar functioneel en ook wel ontroerend. Op beeldschermen in de hutten vertellen de vissers over hoe hun relatie tot de zee is veranderd door de snelle verstedelijking. „Nee”, zegt de een, „dit is niet echt van ons. Wij komen hier alleen bij elkaar en drinken hier thee. De grond is van de overheid.” Een ander: „Er is geen drinkwater en nergens plek voor de mensen om te zitten. Nu de hele kust wordt volgebouwd is het druk op dit stukje strand.” Zijn hoop voor de toekomst? „Het strand ligt vol stenen en afval, dit is niet het beeld van een modern land. Maar gelukkig hébben we nog strand. Ik hoop dat dit blijft.”

Tussen alle verantwoordelijkheid en engagement zijn er ook zintuiglijke, agendaloze momenten. In de felle flitsen van een stroboscoop laat de IJslandse-Deense kunstenaar Olafur Eliasson rubberen slangen waterdruppels als een wolk diamanten door de ruimte slingeren – een herinnering aan kinderzomers met de tuinslang én een pure ervaring van de krachtige ruimte waar de installatie in staat. Een andere zaal is eveneens gevuld met een wolk, maar dan van mist. In deze Cloudscapes van het Duitse bureau Transsolar en de Japanse architect Tetsuo Kondo kun je in de wolk omhoog lopen en de temperatuur voelen stijgen terwijl de architectuur om je heen vervaagt.

Terwijl op de biënnale de potentie van het verleden wordt verkend, wordt Venetië, het Doornroosje van Europa, door hedendaagse architecten wakker gekust. Lange tijd waren de opvallendste hedendaagse elementen in het pittoreske stadsbeeld de zelfgebouwde dakterrassen, gratieloze staketsels die de lucht in steken. In het historische centrum, vol pittoreske leegstand en verval, krijgen steeds meer gebouwen een hedendaagse functie én interieur.

Vorige zomer ging Punta della Dogana open, een douanegebouw uit 1414 op de punt van het eiland tegenover San Marco. Dit is naast Palazzo Grassi het tweede Venetiaanse kunstpaleis van François Pinault, verzamelaar van moderne kunst en eigenaar van onder andere Gucci en Yves Saint Laurent. Beide zijn gerenoveerd en ingericht door de Japanse architect Tadao Ando. Na dertig jaar leegstand en een verbouwing van twintig miljoen euro is Venetië een adembenemend publiek gebouw rijker. Het is te hopen dat de autoriteiten het plan voor de Fondaco dei Tedeschi goedkeuren.

Biënnales zijn altijd diffuus en ongrijpbaar en overstelpend in de hoeveelheid informatie, beelden en ideeën die over je wordt uitgestort. Ook deze. Maar deze editie markeert een moment van inkeer en reflectie in de vaak zelfgenoegzame wereld van de architectuur. Creatie maakt plaats voor transformatie. Hoe zullen architecten – „wij die de wereld veranderen”, zoals Koolhaas zegt – hierop reageren? Er wordt al langer gezegd dat het tijdperk van het grote, beeldbepalende gebouw als icoon – het Guggenheim in Bilbao, de Burj al-Arab in Dubai – voorbij is. Bovendien heeft de vakwereld flink onder de economische crisis te lijden. De kentering dient zich dus van alle kanten aan. Die kan pijnlijk zijn voor ontwerpers, die eerder zelf iets willen maken dan iets veranderen wat door een ander is gemaakt. Kan transformatie ook onvergetelijke architectuur opleveren? Misschien is dat een ouderwets verlangen.