Niemand nam het voor hem op

Een hoogleraar politicologie reconstrueert met zwier de carrière van Geert Wilders.

Zo ontstaat inzicht in diens radicalisering. Maar feit en mening lopen door elkaar.

Was er een moment waarop de politieke carrière van Geert Wilders een andere wending had kunnen nemen waardoor hij niet de islam verguizende politicus was geworden die hij nu is? Het is niet een directe vraag die hoogleraar politicologie Meindert Fennema zich stelt in Geert Wilders. Tovenaarsleerling. Toch krijg je bij het lezen ervan bij één gebeurtenis in Wilders’ politieke leven sterk het gevoel dat Wilders nu nog steeds een VVD’er had kunnen zijn. Ongeveer op eenderde van zijn biografie beschrijft Fennema hoe Wilders werd gepasseerd voor de post van staatssecretaris Sociale Zaken in het kabinet-Balkenende II. Hoewel Wilders woordvoerder sociale zekerheid was voor de Tweede Kamerfractie van de VVD, werd niet hij maar de minder prominente Henk van Hoof staatssecretaris.

Wilders voelde zich volgens Fennema in de steek gelaten. ‘Hij was al teleurgesteld toen hij bij de formatie in 2003 niet was gevraagd voor een kabinetspost, maar nu was hij woedend. En het ergste was dat bijna iedereen in de fractie óók vond dat hij de aangewezen man was voor de post. Maar niemand nam het voor hem op.’ Zo werd het bijna onvermijdelijk dat Wilders in augustus 2004 de VVD verliet en als eenmansfractie in de Tweede Kamer bleef. Wat nu als Wilders wél staatssecretaris was geworden? Dan was hij er misschien in geslaagd de VVD om te smeden tot de rechtse partij die de PVV overbodig maakte.

Fennema heeft met Geert Wilders. Tovenaarsleerling nadrukkelijk een politieke biografie van Wilders willen schrijven. Hij begint daarom niet met zijn jeugd, maar in 1990, toen Wilders in Den Haag sollicitatiegesprekken met VVD-politici voerde voor de baan van fractiemedewerker. Wilders was, sinds 1986, technisch medewerker bij de Sociale Verzekeringsraad.

Fennema beschrijft de sollicitatiegesprekken en de rest van Wilders’ politieke leven alsof hij er zelf bij was. Over Wilders’ tweede sollicitatiegesprek, met Frits Bolkestein, vertelt hij bijvoorbeeld dat de toenmalige fractieleider zich verbaasde over de haardos van de sollicitant.

Nadat Wilders is aangenomen bij de VVD, valt hij in de smaak bij Bolkestein. Omgekeerd krijgt Wilders bewondering voor Bolkestein, als deze in 1991 in een geruchtmakend opinieartikel in de Volkskrant de gebrekkige integratie van islamitische immigranten en hun cultuur hekelt. Hoewel Bolkestein ‘in progressieve kring’ vanaf dat moment als ‘islamofoob’ geldt. Wilders volgt zijn leermeester hierin en maakt later van de strijd tegen de islam zijn hoofdpunt.

De grote vaart van Geert Wilders. Tovenaarsleerling kan niet verhullen dat Fennema over alle affaires, debatten, politieke rellen en rechtszaken waarbij Wilders in de loop der jaren was betrokken, niet veel nieuws boven water kreeg. Doordat Wilders en andere PVV’ers niet met hem wilden spreken, heeft Fennema zich moeten beperken tot gebruikelijke bronnen als artikelen uit kranten en tijdschriften, handelingen van de Tweede Kamer en gesprekken met onder anderen VVD’ers die met Wilders hebben gewerkt. Wel biedt Fennema een precies inzicht in Wilders’ radicalisering. Zo laat hij zien dat Wilders in 2001 in een tv-programma nog onderscheid maakt tussen de islam als religie ‘waar de VVD niets tegen heeft’ en ‘het kleine stukje moslimextremisme’. Jaren later beschouwt Wilders de islam niet als een religie, maar als een politieke ideologie met als doel de wereldheerschappij van de islam.

In het hoofdstuk over het proces dat nu tegen Wilders wordt gevoerd, geeft Fennema nadrukkelijk zijn eigen opvattingen weer. Hierin betoogt hij onder meer dat artikel 137d uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, het beruchte ‘haatzaai’-artikel op basis waarvan Wilders nu wordt vervolgd, veel te ruim gesteld is. Dit artikel, waarin het aanzetten tot ‘conflictueuze tweespalt’ strafbaar wordt gesteld, is gevaarlijk voor de democratie, vindt Fennema. Want politiek is vaak juist het veroorzaken van ‘conflictueuze tweespalt’. In een normale, gezonde democratie zou Wilders niet worden vervolgd om zijn uitlatingen over moslims, is zijn conclusie.

Voordeel van zijn betoog over de vervolging van Wilders is dat de lezer weet dat Fennema hier zijn eigen opvattingen weergeeft. In de andere hoofdstukken gaan zakelijke beschrijvingen soepel over in oordelen en is het moeilijk om te bepalen of hij nu zijn eigen of Wilders’ gedachten weergeeft. Zo schrijft Fennema over de moord op politicus Pim Fortuyn in 2002 dat ‘de kogel van links kwam’. ‘Dat was begrijpelijk. De kranten hadden alles gedaan om Fortuyn te demoniseren’, voegt hij hieraan toe. Of dacht Wilders dat?

Soms kan Fennema het ook niet laten om blijk te geven van zijn bewondering voor Wilders en andere PVV’ers. De grapjes van Wilders vindt hij beter dan die van andere politici. En over de lijsttrekkersdebatten aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen in 2009 schrijft hij dat Wilders ‘superieur’ was.

Geert Wilders. Tovenaarsleerling levert de lezer never a dull moment op, maar staat wel haaks op de wetenschappelijke distantie die je van een hoogleraar politieke theorie en etnische verhoudingen aan de afdeling Politicologie/Imes van de Universiteit van Amsterdam verwacht.

Meindert Fennema: Geert Wilders. Tovenaarsleerling. Bert Bakker, 283 blz. €19,95