Het gevaar van de lege zalen

De zalen in de oude vleugel van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn erg wit geverfd en bovendien vaak leeg, ook tijdens de thans lopende, tijdelijke tentoonstelling Taking place. Om het gebouw te ervaren, had museumdirecteur Ann Goldstein tijdens de presentatie gezegd. Nou vooruit dan: het is net een kathedraal na de Beeldenstorm van 1566, ontdaan van heiligenbeelden en fresco's.

Zo’n – naar ik dacht tenminste – lege zaal is me nog bijna fataal geworden. Ik wilde er vlug doorheen lopen, op weg naar de volgende zaal met strenge kunst die Goldstein hier en daar in het gebouw had laten opstellen, toen een suppoost plotseling begon te sissen. Toen bleek dat ik bijna door een kunstwerk van Ger van Elk was heengelopen: een extra glanzend opgepoetste driehoek in het parket.

Gênant, zoiets. Ik ben maar een dilettant in de beeldende kunst, dus dan ben je op een nogal pretentieuze expositie als deze toch altijd een beetje bang dat je als cultuurbarbaar door de mand zult vallen.

Bij de volgende lege zaal – een hele grote van wel twintig bij vijf – was ik dus op mijn hoede: ik zou mij niet nogmaals laten bedotten. En inderdaad: ik ontwaarde iets kleins in een hoek. Het bleek te gaan om een papiertje ter grootte van een visitekaartje. Daarop in witte letters tegen een groene achtergrond het woord GLAMOUR.

Aardig, dacht ik, aardiger in ieder geval dan die openslaande deuren met kamerplanten erachter die ik in de vorige zaal had gezien. Die enorme lege zaal, en dan in de hoek dat kleine statement – kritische kanttekening bij een modieus begrip.

Alleen, waar hing toch dat papiertje met de naam van de kunstenaar dat ik in de andere zalen steeds braaf had geraadpleegd? Nergens te bekennen. Toen drong het tot me door: hier was gewoon iemand van het tijdschrift Glamour een visitekaartje verloren.

In de film You, me and everyone we know van Miranda July komt zo’n scene voor. Een strenge kunstcurator, die wel een beetje aan Ann Goldstein doet denken, inspecteert het werk van een kunstenaar die als installatie een morsige hamburgertent heeft geconstrueerd: overal afgehapte broodjes en vettige resten. ‘Gééniáál’ lispelt de curator, ‘kijk nou zo'n schijnbaar achteloos weggeworpen propje’. ‘Sorry, maar dat is een echt propje’, zegt de aanwezige kunstenaar dan en werpt het in de prullenbak.

Ik heb daar erg om gelachen, toen ik de film zag. Nooit had ik kunnen vermoeden dat ik mij ooit nog eens zelf in de rol van de curator zou bevinden. Het blijft riskant werk, kunstverslaggeving. Het ambt van museumdirecteur trouwens ook.

raymond van den boogaard

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In de rubriek vrijdag (Cultureel Supplement, 3 september) beschrijft Raymond van den Boogaard een bezoek aan de tentoonstelling Taking Place in het Rijksmuseum. Bedoeld werd het Stedelijk Museum.