Grosz ziet mens als lelijke machine

Beeldende kunst George Grosz: Schwarzer Champagner und Blutiger Ernst. Tot en met 5 december in Museum De Fundatie, Blijmarkt 20 in Zwolle. **** Info: museumdefundatie.nl

In Wonen tussen de anderen, zijn vorig jaar verschenen en nog te weinig opgemerkte boek over ‘de kunststad Berlijn’, wijdt kunsthistoricus Jurriaan Benschop een essay aan George Grosz (1893-1959). Volgens hem is Grosz niet de meest interessante schilder uit kunsthistorisch oogpunt, maar wel uit cultuur- en stadshistorisch gezichtspunt. „Wie iets van de jaren twintig in Berlijn wil begrijpen, die moet ook naar Grosz kijken, en kan dan constateren dat men die tijd zeker niet moet idealiseren.”

Naar Grosz kijken kan de komende maanden in Museum De Fundatie in Zwolle. Daar is een ruime keuze uit de nalatenschap van de kunstenaar, die in bezit is van de Akademie der Künste in Berlijn. Vorig jaar toonde het museum al collages uit die collectie van Grosz’ Dada-vriend John Heartfield. Het idee om Heartfield en Grosz in Zwolle te presenteren is niet zo toevallig als het lijkt, want De Fundatie beheert de ateliernalatenschap van de in Berlijn geboren en getogen Nederlandse schilder Paul Citroen, die met beide kunstenaars bevriend was en werk van hen bezat.

De Grosz-tentoonstelling is een met grote zorg gemaakt retrospectief van zijn werk op papier. Het begint met de schetsboekjes die hij in zijn jeugd voltekende en eindigt met de pop art-achtige fotocollages die hij in de jaren vijftig maakte in New York, waar hij al in 1933 naartoe was verhuisd wegens het oprukkende nationaal-socialisme in Duitsland. De hoofdmoot wordt gevormd door zijn maatschappijkritische en vaak omstreden tekeningen en litho’s uit het interbellum, gemaakt voor eigen grafiekmappen of voor linksradicale kranten en tijdschriften.

Grosz’ vroegste tekeningen lijken nog sterk op negentiende-eeuwse strips als Wilhelm Busch’ Max und Moritz, maar de litho’s voor zijn eerste grafiekmap Strasse in der Stadt uit 1916 zijn ineens veel eenvoudiger getekend – hoekiger en meer lineair. Voortaan blijft Grosz in die prikkeldraad-achtige stijl werken. De onopgesmuktheid, de opzettelijke lelijkheid, past goed bij zijn onderwerp in die jaren: het gedemoraliseerde Berlijn tussen de twee wereldoorlogen. Een verzamelplaats voor kunstenaars als hij, maar ook een stad waarin ongezonde armoedzaaiers leefden naast decadente rijkaards. Ondanks die grote sociale verschillen waren de Berlijners – althans in Grosz’ prenten – in één opzicht gelijk: ze zagen er allemaal wanstaltig uit. In het tekenen van karikaturale rotkoppen deed Grosz daar en toen niet onder voor Gummbah hier en nu.

Straatventers met oorlogsverminkingen worden voorbijgelopen door geuniformeerde heren met dikke nekken en enge dames met hoedjes en bontmantels. Monsterlijke zuiplappen zwalken door de straten of zitten in de kroeg te kaarten met messen en pistolen aan hun broekriem. Achter de ramen van kinderlijk getekende huizen zien we de gedrochten zich aan elkaar vergrijpen. „De mens is een machine”, schreef een kunstcriticus in 1920 naar aanleiding van Grosz’ werk, „de beschaving is eigenwaan, de geest is bruutheid, de doorsnee is domheid en het leger is de baas.”

Er zit vaak een macabere joligheid in de prenten, maar echt vrolijk word je er toch niet van. Jurriaan Benschop had gelijk: wie naar het werk van George Grosz kijkt, moet vaststellen dat die Goldene Zwanziger Jahre in Berlijn zo goudgerand niet waren.