Geslachtsdelen die gewoon zichzelf zijn

Geslachtsdelen zijn net zo verschillend als gezichten. Dat maakt ze heel geschikt als onderwerp voor een getekend of geschilderd portret. Toch kost het sommige museumbezoekers moeite om zonder ongemak naar zulke kunstwerken te kijken.

Eén mevrouw stuurde de uitnodiging voor de tentoonstelling van Ina van Zyl terug naar het Haags Gemeentemuseum. Op de kaart was een schilderij van een vagina gereproduceerd, met dik gepenseeld zwart schaamhaar. ‘This is no art, this is shame!’, had de genodigde daaronder geschreven.

Schaamstukken heet de tentoonstelling, waarin Van Zyl een serie schilderijen van vrouwelijke en mannelijke schaamstreken laat zien. Schaamstreken, schaamdelen, schaamhaar: this is shame, inderdaad, en van die historisch bepaalde schaamte komen we misschien wel nooit helemaal af. Maar het valt ook niet te ontkennen dat geslachtsdelen voor kunstenaars interessant zijn om zich in vast te bijten – ondanks of juist vanwege hun beladenheid.

In de klassieke en oude kunst stonden ze nooit op zichzelf, en binnen het grote geheel van de menselijke figuur werden ze ook nog eens klein, vaag of bedekt gehouden. In Griekse vaasschilderingen en Romeinse beeldhouwkunst wemelt het van de microscopisch kleine piemels. Menige vis zou er schouderophalend aan voorbij zwemmen wanneer ze als aas aan een hengel hingen. De schaamstreek van vrouwelijke naakten is in Renaissanceschilderijen meestal ongedefinieerd, als die van een ontklede paspop of Barbie.

Soms heeft de preutsheid bedoeld of onbedoeld tot iets geweldig suggestiefs geleid. Venusheuvels zijn dan bijvoorbeeld aan het oog onttrokken door marmer dat op flinterdunne stof lijkt. Als zo’n gewaad niet van steen was, keek je er dwars doorheen.

In het schilderij Neptunus en Amphitrite (1516) van Jan Gossaert, in de Gemäldegalerie in Berlijn, is het geslacht van de zeegod bedekt door een schelp. Zijn balzak valt er gedeeltelijk buiten en er steken wat haartjes bovenuit. De naar beneden gerichte punt van de schelp glinstert als een gouden sieraad.

In de loop van de negentiende eeuw werd de kunst onomwonden. „De schilderkunst is in essentie een concrete kunst, die alleen werkelijke, echt bestaande dingen kan representeren”, vond de Franse realist Gustave Courbet. In 1866 schilderde hij wat later in de pornografie een beavershot is gaan heten: het onderlichaam van een vrouw, van onderaf gezien, met centraal in het beeld een gedetailleerd weergegeven, donkerbehaarde vagina. Hij gaf het schilderij de titel L’Origine du monde. Courbet draaide er niet langer omheen: dit is waar het allemaal begon. Hier komen we allemaal vandaan. Niets om beschaamd over te doen.

De twintigste-eeuwse kunst bracht nog veel meer geprononceerde genitaliën. Die hadden alleen wel vaak een (homo-)erotische of feministische lading. In homokunst worden piemels al gauw karikaturaal: te groot en te hard, te glimmend en dooraderd. Het is misschien wel kunst, maar geen heel goede. Geslachtsdelen zonder meer, neutraal bekeken zoals Courbet dat deed, als individuele dingen met een esthetische kwaliteit, die zijn tot op de dag van vandaag zeldzaam gebleven.

Andy Warhol maakte in de jaren zeventig een tijdlang polaroids van de piemels van bezoekers van zijn Factory in New York. De Nederlander Arnoud Holleman liet zich daar misschien door inspireren toen hij in 2002 tekeningen maakte van de penissen van zeven vrienden. Potloodventers in potlood op papier. Alleen al in die zeven tekeningen is de verscheidenheid enorm: er is zacht en hard schaamhaar, veel en weinig, er zijn hangende zakken en stevige ronde, er zijn piemels die eropuit trekken en piemels die liever binnenblijven. Uit de serie blijkt maar weer dat geslachtsdelen net zo verschillend zijn als gezichten, en dat ze zich daarom net zo goed lenen voor een geschilderd of getekend portret.

We zouden volkomen onbevangen naar zo’n portret kunnen kijken, als die historisch en cultureel bepaalde schaamte ons maar niet zo in de weg stond. In het Musée d’Orsay in Parijs kijken veel bezoekers kort en met een schuin oog naar Courbets breed uitgemeten vagina, terwijl ze doen alsof ze de schilderijen eromheen bewonderen.

In het Gemeentemuseum in Den Haag komt een ouder echtpaar de Projectenzaal binnen: hij met de handen in zijn zakken, zij met de handen aan een rollator. Ze bekijken het eerste van de 24 schaamstukken van Ina van Zyl, het tweede en het derde. Overzien dan de rest.

„Nou ja...”, mompelt de man.

„Sorry hoor”, zegt de vrouw, „dit hoef ik niet te zien.”

Zo gauw ze kunnen benen ze de zaal weer uit. Maar ze lijken een uitzondering. De meeste bezoekers kijken geïnteresseerd naar Van Zyls vagina’s en penissen, zonder verontwaardiging of gegiechel. We raken de schaamte voorbij, in de kunst en daarbuiten.

Nu mensen minder preuts worden, gaan ze hun geslachtsdelen ook meer verzorgen. Esthetisch, cosmetisch verzorgen, net als hun handen of gezichten. Schaamhaar wordt bij- of weggeschoren. Er wordt gepiercet en getatoeëerd in de schaamstreek en schaamlippen worden desnoods operatief gecorrigeerd. Het geslachtsdeel moet er een beetje leuk uitzien, in bed, in de sauna, op het strand. Maar hoe opgedirkt moet het op foto’s en schilderijen? Vergelijk het weer met portretten: soms maakt een opgemaakt en mooi aangekleed model minder indruk dan iemand die gewoon zichzelf is.

Kaal of ongeschoren, besneden of onbesneden, Ina van Zyl schildert geslachtsdelen zonder onderscheid. Geïsoleerd en uitvergroot. Ze vat de schaamstukken nu eens als een portret op, dan weer als een stilleven of een klein landschap. Ze zinspeelt daarop met titels als Amandel, Tunnel, Vallei en Donker landschap. De associatie met stillevens wordt nog versterkt doordat er tussen de geslachtsdelen schilderijen van een pruim, een walnoot en twee exotische bloemen hangen.

De pruim doet aan een vagina denken, dat is geen nieuws, maar ook aan de eikel van een besneden penis: allebei zijn het paarsrode, ronde vormen met een inkeping. Van Zyls schilderijen hebben een dikke, hier en daar korstige verfhuid, die in tegenspraak lijkt met de zachte, gladde en glanzende huid van de weergegeven eikel of pruim. De pasteuze verf past beter bij de walnoot, waarvan de vorm meestal met die van onze hersenen wordt vergeleken, maar die door de grillige, verfrommelde helften aan weerszijden van een snee ook heel goed blijkt te werken tussen de vagina’s.

Op het schilderij Labia Minora hangen de binnenste schaamlippen zo ver naar buiten dat de vagina in kwestie niet op een vrucht of noot, maar op een penis lijkt. Des te schilderachtiger, vond Van Zyl. Laat die schaamlipcorrectie toch zitten.

De meeste van haar schilderijen zijn opvallend donker. Wie het romantisch wil zien, kan zeggen: het is alsof je ogen even aan een schemerige slaapkamer moeten wennen en dan vlakbij ineens een stukje van een naakt lichaam ontwaren. Je kunt ook zeggen: Ina van Zyl schildert een beetje te grauw. Maar afgezien van die letterlijke kleurloosheid zijn haar schaamstukken (net als die van Arnoud Holleman) interessant omdat de kunstenaar zonder schaamte, met belangstelling en plezier naar geslachtsdelen heeft gekeken. Ze zijn zo gepresenteerd dat je als tentoonstellingsbezoeker denkt: ja, daar is niet alleen fysiek, maar ook visueel een hoop genot aan te beleven.

Ina van Zyl – Schaamstukken. Tot en met 21 november in het Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41 in Den Haag. www.gemeentemuseum.nl