Een redactie in wanhoop

Een debuut publiceren dat bij voorbaat al een succes is. Dat overkwam oud-journalist Tom Rachman, die het wel en wee van elf redacteuren in fictie goot.

Tom Rachman, author of the novel "The Imperfectionists" is seen in London, Wednesday, May 19, 2010. (AP Photo/Kirsty Wigglesworth) ASSOCIATED PRESS

Tom Rachman: The Imperfectionists. Dial Press, 272 blz., € 23,75. Deze week verscheen De onvolmaakten, vertaald door Tjadine Stheeman. Nieuw Amsterdam, 288 blz. € 18,50.

Hoe vaak gebeurt het dat je tijdens het lezen van een roman het gevoel hebt dat de personages echt bestaan – dat ze, ook als je het boek dichtklapt, gewoon verder leven? Niet zo heel vaak. Niet vaak genoeg, in elk geval. Bij The Imperfectionists, de debuutroman van Tom Rachman, is dat wel zo. Zijn belangrijkste hoofdpersonen leer je beter kennen dan sommige van je beste vrienden. Hun rare of slechte gewoontes vooral, hun zwakheden, hun ambities, hun angsten, hun specifieke onvermogens. Rachman ziet en beschrijft ze allemaal genadeloos.

Dat kan hij omdat hij hun omstandigheden door en door kent en omdat hij als debutant al een geoefend schrijver is. The Imperfectionists speelt zich af op en om de redactie van een fictieve krant die sterk aan de International Herald Tribune (IHT) doet denken: internationaal en Engelstalig, maar gevestigd in Rome in plaats van Parijs. Rachman (1974), geboren in Londen en getogen in Vancouver, heeft onder meer als correspondent in Italië bij persbureau Associated Press gewerkt en op de IHT-redactie in Parijs; hij heeft als verslaggever door Azië en het Midden- Oosten gereisd en woont nu in Rome. Rachman beschrijft dus zijn eigen woon- en werkomgeving, bevolkt door – zo benadrukt hij – fictieve personen. Dertien stuks, als je alleen de belangrijkste meetelt. Een omineus aantal; het vergaat de meesten van hen dan ook niet best.

The Imperfectionists is een mozaïekroman. In elf korte verhalen schetst Rachman telkens een episode uit het leven van tien medewerkers van de krant en één lezer. Die elf verhalen staan op zichzelf maar volgen elkaar wel op in de tijd, zodat je bij sommige personages na afloop van hun eigen verhaal toch nog meer over hen te weten komt. En tussen die verhalen door schetst Rachman heel kort, in een pagina of twee, drie, situaties uit de geschiedenis van de naamloze krant, vanaf een jaar voor de oprichting in 1954. Ook hier gaat het hem vooral om de mensen – met name om de uitgever/initiatiefnemer en om de vrouw van het bevriende echtpaar aan wie deze rijke zakenman de inhoudelijke leiding overlaat.

Het is een mooie opbouw, je krijgt als lezer wat krantengeschiedenis mee en Rachman beschrijft getrouw hoe het op een krantenredactie toegaat – het is alsof je er zelf werkt. En het is vooral alsof je de werknemers persoonlijk kent. De eindredacteur die zijn omvangrijke, groeiende document van wat er op taalgebied mis kan gaan, de Bijbel noemt (‘Het woord letterlijk moet geschrapt worden. [...] Als in: „Hij sprong letterlijk uit zijn vel.” Nee, dat deed hij niet’). De intelligente jonge vrouw op economie die alles kan, maar zichzelf blijft wegcijferen: ‘Halverwege de middag heeft ze duizend woorden geschreven, wat meer is dan het aantal calorieën dat ze geconsumeerd heeft sinds gisteren’. De hoofdredacteur die tevreden is als ze ontdekt dat haar man een affaire heeft, omdat het haar eigen gedragsmogelijkheden verruimt.

Het boek was al een succes vóór publicatie. Uitgever Dial Press betaalde honderdduizenden euro’s om het te mogen uitgeven, Brad Pitts productiemaatschappij kocht de filmrechten en het boek zal in acht talen verschijnen. Begrijpelijk: talentvolle jonge schrijver, knap gestructureerde roman, scherp geobserveerde personages. Maar er is ook een niveau waarop de roman niet goed werkt: dat van de verhalen. Rachman vertelt vooral verhalen waarin het slecht gaat met zijn personages. De stokoude freelancer in Parijs ziet zijn vrouw naar de buurman verhuizen. De eindredacteur moet het beeld dat hij altijd van zijn beste vriend heeft gehad, corrigeren. De redacteur necrologieën mag dan over de dood van zijn dochtertje heenkomen, hij doet dat door zich volledig op de krant te storten, ten koste van zijn huwelijk. En in het overkoepelende verhaal wordt de krant opgeheven.

Twee mensen die er nog vrij goed afkomen zijn de jonge primatoloog die correspondent in het Midden-Oosten wilde worden, maar toch kiest voor een bestaan tussen de apen, en die ene lezer. Een gestoorde dame is het, die dwangmatig elke dag de krant leest, álles, van linksboven naar rechtsonder, en die dus jaren achterloopt – op 9/11 ziet zij de Sovjet-Unie ineenstorten.

Het is allemaal best grappig, zeker zo van een afstand beschreven. Maar in de roman wordt dat cynisme op een gegeven moment potsierlijk. Dan ga je je bij elk nieuw personage afvragen hoe deze figuur nu weer de grond in getrapt wordt of zijn eigen graf zal graven. Rachman lijkt zelf niet echt van zijn levensechte personages te houden en daardoor verliezen ze toch hun geloofwaardigheid en je empathie. Wat overblijft is ten eerste de simpele boodschap: het gaat slecht met de kranten. Maar dat wisten we al. En ten tweede het idee dat Rachman afrekenent met de wereld die hem een tijd lang onderhield, terwijl hij, zegt hij zelf, eigenlijk altijd al literatuur wilde schrijven. En in die zin dus een echt debuut; hopelijk laat hij in zijn tweede boek meer van zijn eigen angsten en zwakheden zien.