Een berg variaties op 'sterf, rotzak, sterf'

Herman Brusselmans: Trager dan de snelheid. Prometheus, 240 blz. € 17,95.

Herman Brusselmans worstelt met het tegenovergestelde van een writer’s block. Nadat hij nog geen jaar geleden aankondigde van zijn hoge productiviteit af te wijken door in 2010 geen roman te publiceren, was daar een paar maanden later al zijn column in de Vlaamse krant Het Laatste Nieuws met de boodschap: ‘Ik schrijf graag en ik schrijf graag veel.’ En daarmee was het sabbatical year van de baan. Brusselmans kon zich niet inhouden, die nieuwe roman zou er alsnog snel komen. Die roman, Trager dan de snelheid, het laatste deel van de Louis Tinner-trilogie, wekt precies dat idee: dat de schrijver ervan het schrijven niet kon laten. Louis Tinner, in De man die werk vond (1985) nog een gefrustreerde bibliothecaris en in Nog drie keer slapen en ik word wakker (1998) een zure boekhandelaar, is inmiddels een vrij man. Echtgenote Zoë Konvoie is rijk geworden met de verkoop van een succesvol tijdschrift, zodat Tinner zijn slecht draaiende boekhandel kan verkopen en van het geld van zijn vrouw leven. Konvoie is ‘personal shopper’ geworden, maar Tinner zelf ontbreekt het vooralsnog aan een nieuwe bestemming. Tot hij besluit dichter te worden. ‘Niet dat Louis iets had tegen nietsdoen, verveling en doelloos rondzwalken door de dagen, maar ja, zo nu en dan een gedichtje schrijven, dat mocht de pret niet drukken.’

Een naam voor de eerste bundel is er al (De kameel van Auschwitz), maar met het schrijven wil het nog niet vlotten. Tinner schuurt er op zijn eigen, lamzakkerige wijze wel wat tegenaan, maar aangezien ook dit personage van Brusselmans een babbelkous en een leegloper is, blijft het daarbij en zadelt hij de lezer op met woest gekanker op alles en iedereen wat hem voor de voeten komt. Op het ‘Sterf, rotzak, sterf’, dat Tinner schrijver Yves Petry toewenst weet Brusselmans gedurende de roman een ontelbaar aantal variaties te bedenken.

Van de vindingrijkheid van dat gekanker moet Trager dan de snelheid het hebben, maar het punt is dat bijvoorbeeld de Brusselmans van de Guggenheimer-romans uit de jaren negentig dit een stuk beter in de vingers had. Die Guggenheimer had tenminste nog wat obstakels uit de weg te ruimen op zijn pad naar de alleenheerschappij, maar deze Tinner ontbreekt het simpelweg aan conflict. De woede van Tinner doet al vlug zo wezenloos en geroutineerd aan dat je wacht op het moment dat hij de aardbei de oorlog zal verklaren.

Het is al vaker opgemerkt dat er in de romans van Brusselmans passages voorkomen waarover hij misschien beter uitgebreid zou kunnen schrijven. Bij deze roman lijkt zoiets schuil te gaan in een korte terugblik van Tinner op zijn periode als bibliothecaris. ‘Nu hij aan z’n bibliotheek dacht zag hij weer het koffiemeisje voor zich, met haar stekjes van benen, altijd gehaast, altijd vechtend tegen de tijd, altijd net vriendelijk genoeg maar in wezen totaal onverschillig ten opzichte van haar klandizie, haar koffie en haar taak in het bestaan. Altijd hopend dat de dag zo snel mogelijk voorbij zou zijn en ze vergetelheid kon vinden onder de dekens, terwijl de wekker de dag nadien weer om zes uur ’s ochtends zou rinkelen. Dertig jaar geleden en ik zie haar nog altijd voor me alsof haar beeld in m’n brein is gebeeldhouwd, dacht hij. Nooit meer dan tien woorden met haar gewisseld.’

Het is de vraag waarom de stilistisch getalenteerde Brusselmans zulk materiaal nooit serieus aangrijpt maar ook in het geval van Trager dan de snelheid alleen maar blijft vertrouwen op een shockeffect. Al ben je het met hem eens dat alles waardeloos is en dat in iedereen een klootzak schuilgaat: hoe vaak wil je dat op dezelfde wijze voorgeschoteld krijgen? Je zou in de kroeg bij zo iemand weglopen.