De schittering betekent niets

De huizen die op de hoek van een straat in de Amsterdamse Jordaan stonden, zijn er al jaren niet meer. Het waren geen bijzondere huizen, eigenlijk stelden ze weinig voor, maar het wonderlijke is dat ik van een van die huizen de voordeur open kan doen en dan hoor ik het geluid dat de deur maakt, het geluid van mijn voeten op de planken van het halletje, het gerammel van mijn fiets die ik het gangetje in trek. Ook kan ik er boven zitten en horen hoe de buurvrouw binnenkomt.

Het huis is weg, maar het speelt nog een rol in mijn geheugen. En in het geheugen van die buurvrouw van toen, en er zijn meer mensen in wier hoofden dat huis nog bestaat.

Op een dag zijn wij er geen van allen meer en dan heeft dat huis ook nooit bestaan.

En niet veel later zullen wij zelf ook nooit bestaan hebben.

Ik deed Milan Kundera’s beroemde boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan weer eens open en las: „dat het leven dat eens en voor al verdwijnt, dat niet terugkeert, op een schaduw lijkt, zonder gewicht is, dood bij voorbaat, en al was het verschrikkelijk, mooi, schitterend, die verschrikkelijkheid, schoonheid, schittering betekenen niets”.

In Cluny stond ooit de grootste kerk ter wereld, tot de bouw van de Sint Pieter in Rome twee eeuwen later was er geen grotere. In de tiende eeuw op een leeg stukje grond gesticht, was het klooster van Cluny minder dan twee eeuwen later een religieus en intellectueel centrum, waarvan de abten door koningen geraadpleegd werden en op voet van gelijkheid debatteerden met de paus, die trouwens een aantal keren een voormalige monnik van Cluny was. Het moederklooster stichtte in die anderhalve eeuw meer dan 1.100 dochters, kleinere kloosters, in de naaste omgeving uiteraard, maar ook verder weg in Frankrijk, in Italië, in Zwitserland, Engeland, Vlaanderen, Spanje. Cluny was een imperium.

De fameuze kerk was 187 meter lang, ruim dertig meter hoog en uiterst elegant gebouwd en versierd.

Van dat alles is vrijwel niets meer over. In 1823 restte er nog één klokkentoren van heel het geweldige gebouw, de rest was succesvol te gelde gemaakt door een paar handige jongens die het klooster kochten in de jaren die volgden op de Franse revolutie. 92 procent van de twaalfde-eeuwse gebouwen was, en is, verdwenen.

„Die verschrikkelijkheid, schoonheid en schittering, betekenen niets.”

In de beschrijving van de geschiedenis van het klooster, dat na de twaalfde eeuw geleidelijk aan in macht afnam, wordt verteld dat er nog maar veertig monniken waren toen de revolutionairen het klooster innamen en de geestelijken wegvoerden of dwongen zich bij hen aan te sluiten. „Ze legden er vast een paar onder de guillotine”, staat er laconiek.

Je praat vanzelf zo als het over het verleden gaat. Het is weg alsof het nooit bestaan heeft en weegt dus niets.

Over het leven dat nu eenmaal maar één keer geleefd wordt, schrijft Kundera: „je hoeft er geen rekening mee te houden, niet meer dan met een oorlog tussen twee veertiende-eeuwse Afrikaanse koninkrijken die niets veranderd heeft aan het aanzien van de wereld, ook al hebben er driehonderdduizend zwarten het leven bij gelaten onder onbeschrijflijke kwellingen”.

Maar kom nu in Cluny. Je bezoekt er de kerk die er niet meer is, maar die je desondanks kunt binnengaan. Je loopt door een paar bewaarde zeventiende-eeuwse kloostergangen en ineens sta je in een restje van het twaalfde-eeuwse koor – eindeloos hoge pilaren rijzen op – en je kijkt naar iets wat je eigenlijk niet kan zien: het schip van de verdwenen kerk.

Op een 3D-scherm dat je kunt meebewegen met je blikrichting verschijnen de pilaren, het licht dat door de zeer hooggelegen ramen valt, je kijkt naar beneden en ziet de vloer, rechtdoor is een zijbeuk te zien.

Die monniken in de twaalfde eeuw konden ongelooflijk veel, maar die computerjongens van nu kunnen ook ongelooflijk veel – ze maken een gebouw zichtbaar dat weg is en ze laten je de ruimte voelen die er niet meer is. Er is een film te zien, ook driedimensionaal, van het interieur van de verdwenen kerk, die inzoomt op de plafonds, de bogen in de hoogte en op de ongelijke tegels op de vloer.

Je voelt meer dan in de Sint Pieter die er nog wel is, hoe ontzagwekkend groot deze kerk was, wat een prestatie het was om zoiets te bouwen, hoe verbluffend het geweest moet zijn om dat gebouw te zien oprijzen in de Franse provincie.

Herhaling kan allerlei vormen aannemen, dat voel je dan weer wel op zo’n plaats. Letterlijke terugkeer is niet nodig, om gewicht te verlenen. Al jaren zijn mensen ijverig bezig iets te herhalen van die geheel uitgewiste geschiedenis door muren zichtbaar te maken, fundamenten bloot te leggen, elfde-eeuwse manuscripten te bestuderen, nauwgezet de brokken van kapitelen in elkaar te passen, stukjes mozaïek bijeen te zoeken. En dan verrijst er, geheel virtueel, een gebouw – het is, werkelijk waar, alsof je de lijnen van het kerksilhouet in de lucht ziet staan. Zichtbaarder dan dat huis waarin ik zelf heb gewoond, werd het gebouw van die monniken.

Heeft hun leven meer betekenis gekregen doordat wij er nu, hoewel alles verdwenen is, toch nog iets van kunnen zien? Dat weet ik niet. Wie bepaalt de omvang van de betekenis. Maar wie zoiets ziet, voelt het leven toch, even, als oneindig veel meer dan een schaduw. De schittering en de verschrikking, ze betekenden van alles.