De ogen sluiten voor andermans verdriet

Verschillende samenwerkingen tussen Nederlandse en Surinaamse kunstinstellingen werpen nu hun vruchten af. Volgende week openen in Rotterdam en Den Haag vijf exposities met Surinaamse kunst. Een zoektocht naar de eigen identiteit is wat dit werk bindt.

‘Dit is mijn oma. Adjie zeggen we in het Hindoestaans. Mijn kunstproject noem ik ook het ‘Adjie Gilas project’, vernoemd naar mijn 85-jarige oma.” De Surinaamse kunstenaar Dhiradj Ramsamoedj laat op een tinnen mok de gezeefdukte afbeelding van zijn oma zien. Een vrouw van tradities en kracht, en dat verwerkt hij weer in zijn kunst. Tinnen mokken met rechte vormen. „Dat symboliseert voor mij de standvastigheid en rechtlijnigheid van mijn oma. Ze drinkt altijd thee uit dit soort mokken en zet ’s avonds zelfs haar gebit in een van deze bekers. Ze woont alleen in een huis op het platteland van Suriname, de familie is al jaren geleden weggetrokken of overleden.”

Ramsamoedj (24) is een van de Surinaamse kunstenaars die deze maand in Nederland exposeert. De nieuwe generatie Surinaamse kunstenaars is in trek in Nederland. Deze maand gaan er maar liefst vijf exposities van start waarin hun werk centraal staat en dat is niet toevallig [zie kader linksboven].

De afgelopen jaren werd er veel samenwerkt tussen Surinaamse en Nederlandse kunstenaars. Er waren projecten van onder meer de Rijksakademie en de Rietveld Academie in Suriname. Docenten uit Nederland gaven les in Suriname, er werden gezamenlijke exposities gehouden en kunstprojecten tussen Rotterdamse en Surinaamse kunstenaars wierpen hun vruchten af.

Maar waar staat de nieuwe generatie Surinaamse kunstenaars zelf en wat houdt hen bezig?

Dhiradj wil dichtbij zichzelf staan, bij zijn familie, en vooral bij zijn adjie, zijn oma. „De vormen die ik gebruik symboliseren de wanden in de kamer waar ze in woont. Voor mij straalt ze kracht uit en verbondenheid met het verleden. Daarom staat haar afbeelding op de installatie die ik maakte van meer dan driehonderd van dit soort tinnen mokken.”

Dhiradjs verlangen om zijn identiteit vorm te geven, is iets wat hij deelt met veel hedendaagse jonge Surinaamse kunstenaars. Dat is niet toevallig. Suriname mag dan als kosmopolitisch land van vele culturen en religies een grote melting pot zijn, veel weten de mensen niet over elkaar.

Kunstenaars als Dhiradj, voor wie de etnische scheidslijnen veel vager zijn dan voor hun voorouders, zoeken houvast bij hun achtergrond. Maar ze spelen ook met die achtergrond. Dhirajd: „Ik wil als kunstenaar de cultuur van mijn land, die in feite een samensmelting is van verschillende culturen uit de hele wereld, uitdragen.”

Uren rijden buiten Paramaribo, tegen de grens met Frans Guyana verschijnt tussen het groen van de jungle het monument voor de slachtoffers van Moiwana, het dorp waar tijdens de binnenlandse oorlog tussen guerrillaleider Ronny Brunswijk en de pas gekozen president Desi Bouterse tientallen voornamelijk jonge vrouwen en kinderen werden vermoord. Het monument werd gemaakt door de marronkunstenaar Marcel Pinas. Marrons zijn gevluchte Afrikaanse plantageslaven uit de zeventiende eeuw die in het binnenland van Suriname nieuwe samenleefverbanden stichten. Pinas is een telg van één van de grootste stammen, de Aukaners. In zijn werk maakt hij gebruikt van het in 1910 ontdekte ‘afakaschrift’ van de Aukaners, dat hij leerde lezen en schrijven. In zijn werk verwerkt hij naast dit schrift ook vaak stukjes panjistof als verwijzing naar de traditionele omslagdoeken met felle kleuren die gedragen worden door de marronvrouwen. Door zijn succes, ook internationaal, heeft Pinas aandacht gekregen voor de vaak nog achtergestelde positie van marrons in Suriname.

De nieuwe lichting Surinaamse kunstenaars probeert al jaren de aandacht op hun werk te vestigen. Lange tijd leek dat moeilijk tussen gevestigde namen als Erwin de Vries en Ron Flu, die nog steeds heel productief zijn. Maar sinds twee jaar gaat het beter. Dat komt ook omdat veel jonge kunstenaars de kansen grijpen die op hun pad komen en meer met elkaar samenwerken en zich zo profileren.

De afgelopen jaren leken die kansen vooral uit Nederland te komen. Rotterdam en Amsterdam waren actief in het organiseren van samenwerkingen, trainingen en workshops.

In de tuin van een grand café in hartje Paramaribo organiseerde de Surinaams/ Nederlandse installatiekunstenaar Remy Jungerman twee jaar geleden een bijeenkomst voor de nieuwe lichting kunstenaars. Jungerman, geboren in het stadje Moengo, werd opgeleid in Nederland en exposeerde in de hele wereld met zijn installaties. Maar hij miste tijdens zijn eigen vorming de Surinaamse, oftewel ‘niet westerse’ invalshoek. Dit gemis probeerde hij te compenseren binnen het ‘Wakamanproject’. Een wakaman is in Suriname vrij vertaald een hosselaar, de gezellige en spraakzame man van de straat.

Wat Jungerman wilde met het project was het blootleggen en ontrafelen van wat de Surinaamse moderne kunstenaar bezighoudt en vormt. „Ik ben gevormd in Nederland, maar zocht altijd naar waar ik als kunstenaar van Surinaamse komaf in mijn eigen cultuur op terug kon vallen. Nederland heeft Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan, wie hebben wij?”

Dit onderzoek naar wat er speelde onder Surinaamse kunstenaars resulteerde in het leggen van connecties tussen Surinaamse kunstenaars in Suriname, Nederland en Amerika. In Nederland werkende kunstenaars van Surinaamse afkomst zoals Iris Kensmil en Patricia Kaersenhout onderhielden contact met kunstenaars in Suriname zoals Marcel Pinas, woordkunstenaar Ori Plet en de maatschappijkritische installatiekunstenaar Kurt Nahar. Vanuit Amerika deed Charl Landvreugd mee. Via e-mails, brieven, video-opnames die over en weer werden verzonden, werkten de kunstenaars thema’s uit. Uiteindelijk bouwden ze in het Fort Zeelandia in Paramaribo een expositie op. Dat was uniek en vernieuwend voor Suriname.

Dat de nieuwe lichting Surinaamse kunstenaars divers werk levert, bleek ook bij Paramaribo Span. Dit project was een samenwerking tussen Surinaamse en Rotterdamse kunstenaars. Bij Span kwam de nadruk te liggen op nieuwere kunstvormen als videokunst. Het was een voor Surinaamse begrippen soms gedurfde expositie, met erotiek als één van de thema’s en met maatschappijkritische geluiden.

Kurt Nahar, die deze week ook in Rotterdam exposeert, hecht zeer aan een kritische instelling – zeker gezien de huidige ontwikkelingen in het land en met Bouterse als nieuwe president. Eén van zijn werken is een installatie van een been doorboord met spijkers. Het symboliseert de pijn van de 8-decembermoorden in 1982. Hoewel Nahar tot de jonge generatie behoort, is de heerschappij van militairen in Suriname een belangrijk thema in zijn werk.

Nahar: „Mijn generatie beseft eigenlijk niet wat democratie en dictatuur betekenen, omdat we het niet bewust hebben meegemaakt. Maar ik geloof dat we deze geschiedenis hebben moeten doorstaan om te zijn waar we vandaag staan. Veel Surinamers willen hun ogen sluiten voor andermans verdriet, omdat we bang zijn om onze mond open te doen. Zo wordt het probleem alsmaar groter. We durven niet om te kijken en onze verantwoordelijkheid te nemen om het verhaal van de revolutie te vertellen. Ik doe dat wel.”

Tijdens het Wakamanproject maakte Nahar samen met Iris Kensmil grote afbeeldingen van de vijftien vermoorde Surinamers in het Fort Zeelandia. „Veel mensen in Suriname noemen hun namen niet meer. Veel jongeren kennen hun namen niet eens, maar voor mij zijn ze inspiratiebronnen en belangrijke personen die niet voor niets hun leven hebben gegeven.”