Alleen de dood doet leven

In de nieuwe roman van Marente de Moor wordt een jonge schermster verliefd op een Tolstojaanse held.

Marente de Moor: De Nederlandse maagd. Querido, 297 blz. €18,95

Als zwaarden van Damokles hangen de twee ‘Parisers’ aan de wand van de schermzaal in landhuis Het Raeren. Er gaat van de aanwezigheid van deze antieke wapens een voortdurende dreiging uit in de nieuwe roman van Marente de Moor, De Nederlandse maagd; als van het geweer uit het eerste bedrijf van een Tsjechov-toneelstuk dat in het laatste afgaat.

Marente de Moor (1972) studeerde slavistiek, woonde een tijdlang in Petersburg en is een kenner van de Russische literatuur. Haar debuutroman De overtreder (2007, over illegale Russen in Amsterdam na de val van de Muur) ging over de Russische ziel. Vervuld van heimwee naar de heftige emoties die bij zijn vaderland horen, zoekt een korporaal in het gelijkmatige Nederland naar een soldaat die onder zijn verantwoordelijkheid deserteerde. In wezen is het een zoektocht naar zijn oude heftige zelf.

In De Nederlandse maagd maakt de 18-jarige schermster Janna anno 1936 een tocht van Maastricht naar Aken, die haar leven voorgoed zal veranderen. Niet omdat ze Oorlog en vrede leest, maar omdat ze verliefd wordt op een man die zo uit Tolstojs roman lijkt te zijn weggelopen. De Duitse schermmeester Egon von Bötticher, zo’n 25 jaar ouder dan Janna, is als huzaar verminkt uit WO I gekomen. Nu geeft hij op zijn landgoed in het bij Aken gelegen Raeren schermles en gelegenheid tot illegale duels (Mensuren) waarbij jonge mannen een litteken op hun voorhoofd moeten oplopen. De jongemannen die zich melden voor de Mensur zijn met hakenkruisen getooide SS’ers.

In dit milieu komt de Nederlandse maagd Janna terecht om haar schermtechniek te verbeteren. Tijdens WO I heeft haar vader als Rode Kruisarts het leven van de Duitse schermmeester gered door hem halfdood het neutrale Nederland binnen te loodsen. Het meisje komt er al snel achter dat de verminkte huzaar daar allerminst dankbaar voor is. Er speelt een geheim tussen de twee mannen. Janna probeert dat op te lossen en verliest al doende haar onschuld. Dat ze haar maagdelijkheid kwijt raakt is nog het minste, ingrijpender is de les dat maagdelijkheid gelijkstaat aan afzijdigheid, wat neerkomt op lafheid. Met de Nederlandse maagd bedoelen haar gesprekspartners dan ook niet Janna maar haar ‘laffe’ vaderland.

Janna’s idool is de Olympische schermkampioen Helene Mayer die als half-Joodse aanvankelijk niet aan de Olympische Spelen van 1936 mocht meedoen. Uiteindelijk werd ze door Hitler tegenover het IOC als een excuus-Jood gebruikt. Thomas Mann riep haar op de Spelen te boycotten, maar ze kwam toch en bracht de Hitlergroet. Dat laatste staat niet in de roman, omdat Janna dat niet kon weten. Mayer, net als Janna een doktersdochter, figureert als een droomfiguur, een schaduw van Janna met wie ze haar beste schermpartij ooit speelt. Haar schermmeester leert haar intussen dat een schermer vooral een gevecht levert tegen zichzelf.

Von Bötticher is lichamelijk en geestelijk verminkt uit de oorlog gekomen, met een neurose die hem dwingt overal symmetrie en orde in aan te brengen. Gaandeweg overwint hij deze dwangneurose. Behalve aan Janna geeft hij ook schermles aan de zoons van zijn voormalige minnares. Van deze tweeling wil hij de beste schermers maken die hij heeft opgeleid. ‘Twee identieke sabreurs, maar verschillend getraind. De tegenstander raakt van slag: wie heeft hij tegenover zich?’ Janna vindt het een onzinnig plan: gemaskerde schermers zijn immers niet van elkaar te onderscheiden. Gaandeweg lijkt Von Bötticher haar gelijk te geven. In een discussie over Hitler zegt hij: ‘Dat hele nationaalsocialisme is een nutteloos experiment, daar komen ze binnenkort wel achter. Het is waanzin om eenvormigheid en symmetrie te willen creëren, in weerwil van de verschillen.’

Toch verlangt de ex-huzaar naar de ‘orde’ van de oorlog en vooral de hartstochten daarvan: ‘De hartstocht om te groeien, en te sterven als dat nodig is. Want alleen door de dood voelen wij ons levend.’ Wat de naderende oorlog met hem en Janna zal doen, komen we niet te weten. Janna, die door foute bezoekers van het landgoed met de spionne Mata Hari wordt vergeleken, voelt dat ze niet neutraal zal blijven. Ze is getuige van een duel waarin de dader niet alleen zijn slachtoffer maar ook zichzelf vernietigt en van verraad waar ze niets tegen onderneemt, waardoor ook zij een deel van zichzelf verliest.

De les van de 17de-eeuwse schermmeester Girard Thibault ‘dat je niet hoeft te raken om niet geraakt te worden’, gaat voor haar niet op. Geraakt wordt zij hoe dan ook. Het is Janna’s vader, de zachte heelmeester uit het laffe Holland, die haar minnaar Von Bötticher op Thibault attendeert, en door diens theorieën te omarmen gaat hij steeds meer op haar zachtmoedige, neutrale vader lijken, de zoveelste dubbelganger.

Er is veel in deze roman dat aan Hermans’ Donkere kamer van Damokles doet denken: het dubbelgangersmotief, het gevecht van een mens tegen zijn schaduw, collaboratie met de nazi’s en het besef dat de werkelijkheid onkenbaar is. De Moor heeft misschien te veel motieven en verwijzingen in haar roman gepropt; de personages lijden daaronder. Maar de dreigende sfeer, de morele dilemma’s en woedende hartstochten die ze in schitterend gebeeldhouwde zinnen oproept maken dat goed. Soms schiet ze uit de bocht, met te barokke metaforiek of anachronismen (zoals een meisje dat in 1936 over haar minnaar denkt ‘Ik vond hem drie keer niets, deze nieuwe Von Bötticher’). Tegelijkertijd houdt ze meesterlijk de spanning er in tot het zwaard van Damokles eindelijk valt en iedereen zijn schaduw heeft omgebracht. Hermans revisited.