Afgelopen

Ik heb de halve meter kranten die zich tijdens mijn vakantie op de eettafel heeft gevormd naar mijn werkkamer verplaatst. Ik heb alle enveloppen geopend. De katten geaaid. Planten water gegeven. Mijn koffer opengedaan en in de buurt van de wasmand gelegd. De boeken eruit gehaald. Telefoon opgeladen. Boodschappen gedaan.

Nu kan ik er niet langer omheen. Ik moet een verhaal vertellen dat ik tijdens de vakantie hoopte kwijt te raken. Ik zag het op de heenweg naar Frankrijk gebeuren. In mijn verhalen gebeurt meestal niets. Het is dan ook net alsof het mijn verhaal niet is.

Het is meer een verhaal voor Roald Dahl. Hij had altijd een notitieboekje bij zich om lumineuze ideeën in op te schrijven. Toen hij op een dag onderweg was met de auto en niets bij zich had om in te schrijven, zette hij de auto langs de kant van de weg en kraste een briljant idee op een vuile autoruit.

Ik wilde mijn idee niet opschrijven. Het schreef zich in mij terwijl ik een zilveren Opel Zafira met caravan over de snelweg zag scheuren. In de caravan zag ik silhouetten van vrouwen aan een tafeltje. Ik probeerde me tegen een interpretatie van summiere gegevens en wazige indrukken te verzetten, maar het verhaal was sterker dan ik.

Louis, de bestuurder van de Opel Zafira, was een man die altijd zijn best deed. Hij probeerde het zijn vrouw naar de zin te maken, en wanneer haar zus op bezoek kwam, maakte hij zich zo klein mogelijk. Zijn schoonzus maakte er geen geheim van dat ze hem ongeschikt vond. En zijn vrouw gaf haar gelijk: hij verdiende niet genoeg. Hij was te klein. Zijn muziekvoorkeur was beneden peil. Hij kon niet dansen. Niet klussen. Niet koken. Hij was eigenlijk nergens goed voor.

In de gekromde schouders van de man achter het stuur zag ik alle vernedering die hij tijdens zijn huwelijk te verduren had gekregen. Vrouw en zus zaten achter in de caravan. „Maak het je gemakkelijk”, had Louis gezegd. „Ik rijd jullie wel naar Frankrijk.”

Hij had de caravan niet echt goed vastgemaakt. De caravan lag eigenlijk meer op de haak dan dat hij eraan vast zat. Het zou een ongeluk lijken.

De caravan raakte los. Louis durfde niet te kijken in zijn achteruitkijkspiegel. Hij zou morgen in de kranten wel lezen hoe het precies was afgelopen.

Waar hij geen rekening mee had gehouden, was de wroeging die hem al na enkele kilometers overschaduwde. Zijn vrouw was soms best lief geweest. En had haar zus – ondanks haar gemekker – niet het beste met hen voorgehad? Hoe verder Louis zich van de caravan verwijderde, des te groter zijn liefde voor zijn vrouw. Hij had nog nooit zoveel van haar gehouden.

Hij stelde zich voor dat de caravan over de kop was geslagen en dat zijn schoonzus met hoofdwonden en geklemd tussen de keukenkastjes naar adem lag te happen. Hij begon haar sympathiek te vinden.

Zo gauw hij kon, verliet hij de snelweg om terug te keren naar de caravan. Deze bleek ongeschonden overeind te staan in een berm. Toen Louis dichterbij kwam, hoorde hij de vrouwen giechelen. Met een mengeling van opluchting en wanhoop opende hij de deur. Twee hoofden keken geïrriteerd op van hun kaartspel. „Wat moet je?”

Terwijl Louis de caravan aanhaakt, ga ik aan mijn bureau zitten.

Mijn werkdag kan beginnen.