Achter de Republikeinengrijns

Behalve als gezinsdrama kan ‘Vrijheid’ ook heel goed gelezen worden als de kroniek van een tijdperk: Amerika in het decennium van Bush en de neoconservatieven, analyseert Menno de Galan.

Waar is ‘de hooghartige Republikeinengrijns’ gebleven? Toen het nog goed met hem ging, toverde George W. Bush zijn fameuze smirk vaak tevoorschijn, voordat de storm Katrina en opstandelingen in Irak die definitief van zijn gezicht veegden. De jonge Republikein Joey Berglund gebruikt hem in Vrijheid als wapen. Hij zet hem in om zijn progressieve vader Walter Berglund te kleineren: ‘Alsof hij zijn ouwe stommeling van een vader maar liet kletsen over zijn achterhaalde principes.’

Hooghartig zijn de Republikeinen al lang niet meer. Maar Jonathan Franzen heeft het tijdperk van Republikeinse hoogmoed, inclusief grijns, tot leven gewekt in zijn roman. Het hart van Vrijheid bestrijkt het kleine decennium van de terreuraanslagen van september 2001 tot de financiële crisis van september 2008.

In het slothoofdstuk neemt Franzen nog net Obama mee, en de opkomst van het bittere volksverzet van de Tea Party. Walter Berglund, inmiddels eigenaar van een milieuvriendelijke auto met een Obama bumpersticker, wordt ermee geconfronteerd. Auto en sticker zijn volgens een buurtgenoot ‘een teken van goddeloosheid en een diepe minachting voor hardwerkende mensen als zij en haar man, die maar moesten zien hoe ze de eindjes aan elkaar geknoopt kregen en die voor de taak stonden om hun kinderen een goede en positieve opvoeding te geven in een vijandige wereld’.

Wat zou Barack Obama zelf van deze passage vinden? Ruim een week voordat overige Amerikanen een exemplaar konden bemachtigen (het is pas sinds dinsdag officieel te koop) had hij het van een boekhandelaar meegekregen. Een woordvoerder van het Witte Huis zei in The New York Times dat Obama het ‘vermakelijk’ vindt, maar dat hij er nog in bezig is. Jammer dat er niet werd doorgevraagd. Je zou willen weten wat er volgens de president zo vermakelijk is aan Vrijheid. Verontrustend lijkt als kwalificatie meer op zijn plaats.

Recensenten in de VS hebben Franzen terecht geprezen om zijn gedetailleerde beschrijving van de modes van het afgelopen decennium, van teenslippers tot groene thee. Niet minder opmerkelijk is de politieke en maatschappelijke context waarin de personages opereren. De wederwaardigheden van de familie Berglund spelen zich in essentie af tegen de achtergrond van het tijdperk-Bush; de verzonken wereld achter de Republikeinengrijns.

Franzen beschrijft het effect van de terreuraanslagen van 9/11 door de ogen van de jonge Berglund. Ze betekenen voor Joey, dan een student aan de Universiteit van Virginia, ‘een eind aan de wereld van voorspoed als geboorterecht’. Hij sluit zich aan bij ‘welgestelde medebewoners die voorstander waren van bommentapijten op de islamitische wereld tot die zich leerde gedragen’. Het contrast met zijn vader is groot.

Tegen de achtergrond van dit generatieconflict laat Franzen zien wat er speelt in Amerika. De idealistische Walter strijdt tegen milieuvervuiling, zet zich in voor het behoud van een zangvogel en bekommert zich om het dreigende bevolkingsoverschot. Zijn zoon legt het tegen de zin van zijn ouders aan met het buurmeisje bij wie hij intrekt, het begin van een relatie met haar en met de Republikeinse partij waarvan haar stiefvader een aanhanger is.

Net als talloze andere Amerikanen is Joey na

Vervolg op pagina 2

De politiek van ‘Vrijheid’

11 september blind van woede. Hij zint op wraak. Wat te doen? Franzen brengt hem in contact met een neoconservatieve intellectueel. De vader van zijn beste studievriend geeft hem tijdens een diner een cursus internationale betrekkingen en Republikeins machtsdenken. Volgens de man, die ‘de kabinetsleden van Bush bij de voornaam noemt’, is ‘de oplossing van een hardnekkig geopolitiek probleem’ nabij: de radicale introductie van vrijheid in de regio. ‘Ons begrip van de wereld’, houdt hij Joey voor, vertoont een treffende overeenkomst ‘met het leidende beginsel van de universele menselijke vrijheid’.

Stelde Franzen in zijn vorige grote roman De correcties vooral de commercie aan de kaak die Amerika in de jaren negentig overspoelde, in Vrijheid heeft hij het gemunt op de maatschappelijke en politieke cultuur van het afgelopen decennium. De titel van het boek kan op drie niveaus worden geïnterpreteerd. Voor de Berglunds staat vrijheid voor de spanning tussen gezinsleven en individueel geluk én voor de (on)mogelijkheid zich te ontdoen van het dnavan het voorgeslacht. Net zo belangrijk is het binnenlands klimaat, de Umwelt, waarin de Berglunds leven. De lelijkheid van Amerika door de oprukkende commercie wordt in Vrijheid als gegeven beschouwd; zich daartegen verzetten heeft geen zin. Ten slotte is vrijheid onder president Bush en zijn coterie van neoconservatieve intellectuelen hét Amerikaanse exportproduct, de slogan waarmee de invasie van Irak wordt gerechtvaardigd als voorbode tot de algehele democratisering of amerikanisering van het Midden- Oosten. Daarachter gaat aan de ene kant het bedrijfsleven schuil, dat nieuwe afzetmarkten ruikt. Het briljante van het boek is dat Franzen de lezer aan de andere kant inwrijft dat vrijheid als binnenlands artikel vooral bestaat uit genotmiddelen en seks. Betrokken burgers – Democraten – zijn óf oud óf gemarginaliseerd. De hyperindividuele vrijheid van de personages in Vrijheid uit zich vooral in een vlucht uit de onverdraaglijke werkelijkheid die door Republikeinen is geschapen.

Joey Berglund laat zich hierdoor meeslepen. Hij steunt de invasie in Irak (door zijn vader verfoeid) en raakt via een neoconservatieve denktank betrokken bij de wederopbouw van het land. We bevinden ons nu op het hoogtepunt van het tijdperk van de grijns. Joey verdient een klein fortuin met de verkoop van ondeugdelijk legermateriaal aan een organisatie in Irak. Tot hij daar wroeging over krijgt en zijn vader in vertrouwen neemt. Maar ook de idealistische Walter heeft zijn principes overboord gezet. Tegen een jaarsalaris van 180.000 dollar ‘flikflooit’ hij met miljonairs en het bedrijfsleven. Hij helpt hen de natuur van West-Virginia vernielen door er mijnbouw toe te staan, onder het mom daarmee een zangvogel voor uitsterven te behoeden, werkgelegenheid te bieden en een actie tegen overbevolking van de grond te tillen.

Dit is het Amerika dat Franzen schetst in Vrijheid: machtsdronken en corrupt, een land waar de inwoners ‘aan het idee moeten wennen dat het soms nodig is bepaalde feiten op te rekken’. Een land waarin ‘geen tijd is voor het moeizame proces van publieke voorlichting en opinievorming’. Een land waarin de bevolking massaal vlucht in geestverruimende middelen, die worden geconsumeerd als snoepgoed. Aan het onwettige karakter ervan wordt geen woord vuil gemaakt, aan de handel erin evenmin. Wiet, cocaïne en heroïne dienen als hulpmiddel bij seks, medicijn tegen eenzaamheid, vluchtmiddel uit de werkelijkheid. Drinken, slikken, blowen, snuiven en spuiten; grondstoffen voor ieders hyperindividuele verwezenlijking van de Amerikaanse Droom. Opnieuw vrijheid, nu niet als exportproduct, maar voor binnenlands gebruik. Een genadeloos land, in een ijskoud decennium.

Jonathan Franzen: Vrijheid. Vert. Peter Abelsen. Prometheus, 448 blz. € 19,95.