Regenwoud wijkt voor 'foute' margarine en zeep Unilever op kop met duurzame palmolie

Palmolie zit in talloze producten, van ijsjes tot lippenstift. De herkomst is vaak onduidelijk. Unilever gaat daar meer op letten.

Junaidi Isa uit het dorpje Kuala Cenaku op Sumatra kijkt uit over een waar bomenkerkhof. Zwartgeblakerde boomstronken zover als hij kan zien, sommige met een diameter van bijna een meter. In kuiltjes zijn kleine oliepalmen aangeplant. Dit is een plantage van het bedrijf Duta Palma, een van de grootste palmoliebedrijven van Indonesië.

„Dit is in 2009 verbrand”, zegt Junaidi. „We weten niet door wie. Maar het bedrijf zit erachter.” Hij staat aan de rand van de plantage; op weg ernaartoe zijn verschillende stadia van vernietiging te zien. Vlakbij de rivier dragen de oliepalmen al vrucht en zijn alleen in het kanaal de dikke boomstronken te zien die er vroeger stonden. Na tien minuten met de brommer staan de palmen slechts manshoog en zijn de stronken ertussen goed te zien. „Voordat de bomen werden gekapt, was hier gewoon oerwoud”, zegt Junaidi. „200 meter van de rivier was het dik bebost.”

En de boskap gaat door. In de verte is te zien hoe graafmachines een nieuw kanaal graven om de bodem te draineren, zodat oliepalmen er beter kunnen groeien. Er omheen liggen honderden meters aan vers gekapte boomstronken. Binnenkort zal het bedrijf waarschijnlijk iemand uit het dorp betalen om de grond stiekem in de fik te steken, en vervolgens zeggen dat het een ongeluk is. Want zo gaat het elke keer als het bedrijf weer een paar honderd hectare uitbreidt, zeggen de dorpelingen.

Zoals in Kuala Cenaku gaat het op honderden plekken in Indonesië. Oerwoud maakt plaats voor oliepalmplantages of acacia’s voor de papierproductie. Vaak met toestemming van de Indonesische regering, die concessies afgeeft. Het bos is ‘gedegradeerd’, verzekeren de bedrijven.

Maar milieuorganisaties zoals Greenpeace tonen met onderzoek ter plekke het tegendeel aan. Zoals in Kuala Cenaku, waar de organisatie in 2007 liet zien dat de plantage is aangelegd op veenbos van meer dan drie meter diepte, dat volgens de wet beschermd had moeten worden.

Het is een probleem dat steeds vaker op de bureaus van grote multinationals komt te liggen. Palmolie wordt voor allerlei producten gebruikt: van margarine tot ijsjes tot lippenstift. Een bedrijf als Unilever gebruikt er jaarlijks zo’n 1,4 miljoen ton van. En is daarmee een dankbaar doelwit van milieuorganisaties.

Dat ondervond bijvoorbeeld voedingsgigant Nestlé. Een spotje van Greenpeace waarin een vermoeide werknemer een ‘break’ neemt en in plaats van een Kit Kat een orang oetan-vinger in zijn mond steekt, werd op Youtube 1,5 miljoen keer bekeken. Nestlé stopte daarna met palmolie kopen van Sinar Mas, het grootste palmoliebedrijf van Indonesië en volgens Greenpeace de grootste vernietiger van regenwoud. Maar de reputatie van Kit Kat had al een deuk opgelopen.

„Ontbossing is niet nieuw, maar het is de laatste twee jaar wel veel meer in de publiciteit”, zegt de Nederlander Marc Engel, directeur Inkoop van Unilever, tijdens een interview in Singapore. „Dat betekent niet dat we dingen anders doen, maar wel dat we er meer op letten.”

Bestuursvoorzitter Paul Polman van Unilever heeft aangekondigd dat hij net als milieuorganisaties een moratorium op ontbossing steunt. Een tijdelijke stop op boskap zou het mogelijk maken uit te zoeken welke bossen écht zo ver gedegradeerd zijn, dat het net zo goed plantages kunnen worden, en welke bossen moeten worden beschermd.

Het leidde ertoe dat Unilever eind vorig jaar een opvallende stap zette, een paar maanden voordat Nestlé over Sinar Mas struikelde. Nadat Greenpeace opnieuw een vernietigend rapport over dit Indonesische bedrijf had uitgebracht, schortte Unilever zijn contract met Sinar Mas op.

Het ging om 40 miljoen dollar (31 miljoen euro), goed voor 3 procent van Unilevers palmolie-inkoop. „Die opschorting heeft internationaal echt voor een schokgolf gezorgd”, zegt Suzanne Kröger van Greenpeace en medeverantwoordelijk voor het rapport. „Dat zo’n groot contract publiekelijk wordt stopgezet, is uniek.”

Engel legt uit dat aan de opschorting een lang proces aan het besluit vooraf ging, waarin de aanwijzingen zich opstapelden dat Sinar Mas zich niet aan de regels hield. Het het laatste Greenpeacerapport gaf de doorslag.

Vervolg Palmolie: pagina 14

Unilever op kop met duurzame palmolie

Na het Greenpeacerapport verloor Sinar Mas meer grote klanten. Het bedrijf deed intern onderzoek naar ontbossing, maar de resultaten daarvan, die vorige maand bekend werden, konden de meeste afnemers niet overtuigen. Unilever koopt nog steeds niet van Sinar Mas.

Op dit soort acties hoopte de Amerikaanse wetenschapper Bill Laurance van het Smithonian Institution, toen hij twee jaar geleden een artikel schreef over hoe multinationals een rol kunnen spelen in de bescherming van regenwoud.

Laurance signaleerde dat ontbossing steeds vaker gebeurt door grote bedrijven zoals Sinar Mas en Duta Palma, in plaats van door lokale bewoners. Aan de ene kant versnelt dat de kap, want nu gebeurt het op industriële schaal. Anderzijds biedt dat ook meer mogelijkheden om druk uit te oefenen. Want die bedrijven verkopen aan grote multinationals die zich moeten verantwoorden tegenover aandeelhouders en klanten.

Dit mechanisme begint te werken. „Milieuorganisaties slagen er steeds beter in de link te leggen tussen wat er in het bos gebeurt en Kit Kat of Dove douchegel”, zegt Kröger. „Voor het eerst staan bedrijven zó onder druk, dat ze hun hele productlijn doorlichten op zoek naar ontbossing.”

Toch kan ook Unilever, ondanks zijn voortrekkersrol, niet zeggen dat zijn producten ‘ontbossingsvrij’ zijn. Want hoewel Sinar Mas van de leverancierslijst is geschrapt, kan palmolie van dit bedrijf indirect nog steeds in de Vaseline of Blue Band terechtkomen.

Dat komt door de manier waarop de markt georganiseerd is, legt Engel uit. Oliepalmplantages leveren aan tussenhandelaren, die de olie van duurzame en niet-duurzame producenten bij elkaar gooien. Hoewel Unilever al zijn leveranciers heeft gevraagd óók geen zaken meer te doen met Sinar Mas, kunnen die dat nog niet allemaal garanderen.

Daarnaast wordt palmolie verhandeld als grondstof, waarbij investeerders tonnen olie pijlsnel aan- en verkopen. Olie van honderden verschillende plantages komt uiteindelijk in één groot vat terecht. „Van een tomaat weten we al voordat het zaadje de grond in gaat dat die voor ons is”, zegt Engel. „Maar voor alle voedselgrondstoffen waarin gehandeld wordt, zoals palmolie, suiker, cacao of melkpoeder, is de herkomst heel lastig te traceren. Dat is een probleem van de hele industrie. Je moet een fundamenteel andere toeleveringsketen krijgen. Ik denk wel dat die er op termijn komt.” Leveranciers zijn hier ook al mee bezig: de eerste 10.000 ton volledig duurzame palmolie zijn nu onderweg.

Een andere moeilijkheid voor afnemers is om erachter te komen of hun leveranciers aan ontbossing doen of niet. Unilever doet alleen in Indonesië al zaken met tientallen palmolieleveranciers, die miljoenen hectares aan plantages hebben. En die allemaal zeggen dat ze zich aan de regels houden.

Er zijn echter allerlei trucs. Soms kapt een marionettenbedrijf het bos om en legt het een plantage aan, waarna het ‘failliet’ gaat en wordt overgenomen door de echte producent. Of het bedrijf koopt lokale functionarissen om die hun claim, dat het om ‘gedegradeerd bos’ gaat, goedkeuren. Sowieso hebben plantagebedrijven – zeker in Indonesië – vaak allerlei obscure constructies, waardoor nauwelijks valt te achterhalen welke plantage bij welk bedrijf hoort.

Volgens wetenschapper Laurance hebben milieuorganisaties niet genoeg capaciteit om aan te tonen welke toeleveranciers op grote schaal ontbossen. Om daar achter te komen, is een combinatie nodig van satellietbeelden en bezoek ter plaatse. Ook Greenpeace bezocht slechts enkele plantages, voor andere producenten was nog geen tijd. De milieuorganisatie vindt dat afnemers zelf hun leveranciers moeten controleren. Kröger: „Ze komen alleen in actie na ons onderzoek. Maar wat gebeurt er op die andere honderdduizenden hectares aan plantages?”

„Wij zijn niet de palmoliepolitie”, zegt Engel. Volgens hem heeft Unilever daar niet genoeg mensen voor. Toeleveranciers moeten wel een overeenkomst tekenen, waarin onder meer staat dat ze zich houden aan de lokale wet, dat er geen kinderarbeid plaatsvindt en dat werknemers een vakbond mogen vormen. Bij een deel van de tienduizend leveranciers controleert Unilever de naleving. Maar ‘legale’ ontbossing staat nog niet op de lijst.

Hoewel het voor bedrijven dus lastig is volledig duurzame palmolie te kopen, kunnen ze wel meer doen dan nu. Voor een bedrag dat schommelt tussen de 5 en 20 dollar kunnen ze sinds 2008 een certificaat kopen dat garandeert dat ergens een ton palmolie wordt geproduceerd zonder dat daar bos voor sneuvelt.

Maar de afnemers hebben daar nog weinig belangstelling voor. Volgens de website van Greenpalm, dat de handel organiseert, hebben bedrijven pas 587 duizend van de 1,2 miljoen beschikbare certificaten gekocht om hun palmolie-inkoop af te dekken. De prijs was deze week 5,75 dollar per certificaat, een bedrag dat komt bovenop de ongeveer 700 dollar die een ton palmolie kost.

Bijna tweederde van die 587 duizend certificaten werd gekocht door Unilever. Ook daarmee loopt het bedrijf voor op concurrenten als Procter & Gamble (Head & Shoulders, Pringles, Oral-B), dat via Greenpalm helemaal geen palmoliecertificaten heeft gekocht. Of Nestlé (Smarties, Maggi, After Eight), dat met 13 duizend certificaten nog geen tien procent van zijn totale inkoop dekt.

Vanaf 2015 wil Unilever alleen nog duurzame palmolie kopen, al of niet via certificaten. Waarom niet nu al, aangezien zo’n groot deel van de beschikbare certificaten onverkocht blijft? Met de huidige prijzen zou dat zo’n 15 miljoen dollar per jaar kosten – minder dan 1 procent van de 2 miljard dollar die het bedrijf jaarlijks aan palmolie spendeert. Geen bedrag dat de prijs van een stukje zeep enorm opdrijft.

Engel zegt dat het niet om de kosten gaat, maar dat Unilever de markt niet nóg meer wil domineren dan het nu al doet. Laurance brengt daar tegenin: „Het lijkt mij een goede zakelijke tactiek om te zeggen: kijk eens, wij kopen alle duurzame palmolie die er is.”

Voor Unilever is het probleem ook dat duurzaam weinig mag kosten, aangezien klanten niet bereid zijn méér te betalen. Voor elke euro die Engel extra uitgeeft aan duurzame palmolie, moet ergens anders iets worden geschrapt. Toch ontkomen bedrijven er op termijn niet aan, verwacht hij. „Iedereen gelooft dat het in 2020 not done zal zijn om niet-duurzame palmolie te kopen.”

Toch is er weinig optimisme over het stoppen van ontbossing. Want hoewel men in het Westen steeds bewuster wordt, gaan steeds meer palmolie, hout en andere grondstoffen naar groeiende economieën, zoals China en India. „Het heeft het landschap compleet veranderd”, zegt Laurance.

In die groeilanden hoeven bedrijven minder rekening te houden met de publieke opinie. Al verwacht hij dat dit binnen een jaar of tien ook zal veranderen. Maar tien jaar is lang voor wie bedenkt dat elk jaar een oppervlak van ruim drie keer Nederland aan regenwoud verdwijnt. „Er is wat goed nieuws, maar vooral een hoop slecht nieuws”, zegt Laurance.

Multinationals moeten intussen nadenken over het volgende front: papier. In de provincie Riau, waar ook de oliepalmplantage van Kuala Cenaku ligt, rijden de opleggers vol boomstammen af en aan naar de papiermolens van April en APP, een onderdeel van Sinar Mas. Veel stammen zijn zó dik, dat ze onmogelijk kunnen komen van acaciaplantages, waar de bomen al na zeven jaar worden gekapt. Ook ontbreekt vaak het verplichte nummer, dat aangeeft waar de stam is gekapt.

„Dit wordt het grote nieuwe onderwerp”, zegt Kröger van Greenpeace. „Palmolie en papier zijn de twee gewassen die het meest voor ontbossing zorgen.” In juli kwam het eerste vernietigende rapport uit, over APP. En opeens moesten bedrijven als computermaker HP, fastfoodketen Kentucky Fried Chicken en tijdschrift National Geographic heel goed gaan uitzoeken waar hun papier en verpakkingsmateriaal vandaan komt.