Nergens spijt van

Dertien jaar gaf Tony Blair leiding aan de Labour Party, waarvan tien jaar als premier van Groot-Brittannië. Drie jaar nadat Blair in 2007 terugtrad, kon de balans van dat leiderschap worden opgemaakt. Het Verenigd Koninkrijk is slechter uit de kredietcrisis gekomen dan de continentale grote landen. En zijn Labour Party verkeert in het ongerede.

In zijn memoires A Journey trekt Blair zich die erfenis niet al te persoonlijk aan. Behalve over zijn neiging een glas te veel te drinken, lijkt hij weinig schuldgevoelens te hebben. Blair heeft geen spijt van de oorlog in Irak en voelt zich ook niet verantwoordelijk voor de staat van zijn partij. Die chaos is de schuld van zijn opvolger Gordon Brown, een „snoeshaan” die goed kan analyseren maar politiek gevoel mist.

Kortom, Brown heeft volgens Blair in drie jaar kapotgemaakt wat hij zelf eerder in dertien jaar had opgebouwd.

Brown was inderdaad niet geschikt voor het premierschap. Ongetwijfeld waren de Britten na tien jaar New Labour toe aan iets nieuws. Maar zou Blair zelf werkelijk part noch deel hebben gehad aan de teloorgang van de sociaal-democraten? Het kan niet waar zijn. Al is het omdat Blair niet de enige premier is die een minder stabiele erfenis achterlaat dan zijn leiderschap al die jaren deed vermoeden.

Toen premier Lubbers in 1994 na twaalf jaar premierschap de fakkel overdroeg, bleek het CDA bij zijn opvolger niet in goede handen en moest de partij zich acht jaar ‘herbronnen’. Nu is deze partij er na acht jaar Balkenende mogelijk nog slechter aan toe.

In 1998 liet bondskanselier Kohl, wiens status na zestien jaar macht in het door hem herenigde Duitsland onbetwist was, zijn CDU in verwarring achter. En in Frankrijk komen de socialisten er sinds 1995, toen president Mitterrand na 14 jaar opstapte, er heel misschien pas in 2012 weer eens aan te pas.

Wat is dat toch met ogenschijnlijk sterke leiders die jarenlang de macht domineren maar zelfs na afloop, als ze niet meer worden belaagd, weglopen voor reflectie en zelfkritiek?

De meest voor de hand liggende verklaring is dat ze al die tijd zo in hun leiderschap zijn bevestigd dat ze er zelf in gaan geloven. Een persoonlijkheidscultus in de politiek komt niet alleen in (communistische) dictaturen voor.

Maar er is meer. Sinds ideologieën en beginselen er minder toe doen, neemt ook het institutionele belang van politieke partijen af. Dat uit zich in dalende ledentallen en eroderende organisatievormen. Een sterke leider compenseert deze structurele zwakte door charisma en disciplinering.

Machtsuitoefening wordt zo persoonlijker, zowel qua ideële doelen als resultaten. Keerzijde daarvan is echter dat het vacuüm ook groter wordt als de leider eenmaal weg is. Door de fixatie op het leiderschap zijn er minder instituties die de partij zonder chef draaiende houden.

Deze trend hoort bij deze tijd. De lotgevallen van Blair zijn daarom niet uniek. Ze illustreren wel dat een democratie niet alleen nieuwe ideeën en inspirerend leiderschap nodig heeft maar ook ‘dorre’ instituties.