Meer kunstenaars hebben uitkering

Het aantal uitkeringen aan beginnende kunstenaars, de zogenoemde Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK), stijgt. Eind 2009 keerde het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2.600 uitkeringen uit; een stijging van 13 procent ten opzichte van eind 2008.

Dit blijkt uit onderzoek van BNR nieuwsradio. De organisatie Kunstenaars&CO, die kunstenaars en culturele organisaties moet helpen economisch zelfstandiger te worden, wijt de stijging aan de crisis. „Er worden meer mensen werkloos, dus ook kunstenaars”, aldus adjunct-directeur Bart Kamerbeek. In totaal werden 2.600 uitkeringen van elk twaalf maanden uitgekeerd; daar maakten 3.900 kunstenaars gedurende enige tijd gebruik van.

De WWIK wordt uitgekeerd aan startende kunstenaars. Zij ontvangen een uitkering van 70 procent van de bijstandsuitkering (voor een alleenstaande bruto 732,78 euro per maand). Anders dan mensen in de bijstand hoeven zij niet te solliciteren en mogen zij verdiensten uit de verkoop van kunst houden. Wel worden er eisen gesteld aan diploma’s en de hoogte van het inkomen. Afgestudeerden van een academie kunnen meteen na hun studie aanspraak maken op de uitkering. In tegenstelling tot de oude BKR-regeling kent deze uitkering wel een limiet. Zo kunnen kunstenaars maximaal vier jaar een beroep doen op de WWIK.

Beeldend kunstenaars blijken het vaakst aanspraak te maken op de uitkering: 40 procent. Zij worden gevolgd door vormgevers (26 procent), muzikanten (20 procent) en acteurs en dansers (10 pct).

De WWIK ligt onder vuur. VVD en CDA willen van de regeling af, evenals de PVV. Kamerbeek van Kunstenaars&CO wijst erop dat, indien de regeling wordt afgeschaft, de ontvangers in de bijstand belanden. „Dat kost per saldo dus meer.” Hij noemt de regeling een succes. „Van de mensen die uitstromen keert 94 procent niet terug in de regeling. Het merendeel vindt een baan in de kunsten.”