Het is vooral een show. Vrede wordt het toch niet

Palestijnse vluchtelingen in Sabra en Shatila geloven niet in nieuw vredesoverleg.

Israël zou geen vrede willen, de Palestijnen zijn te verdeeld.

Te midden van vuilnisbelten proberen de inwoners van de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila te overleven. De vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit van president Mahmoud Abbas die vandaag beginnen na een feestelijk diner in Washington gisteravond, zullen hun een zorg zijn. Niets verwachten ze ervan, zeggen ze. „Het vredesoverleg wordt een complete mislukking. Sinds de Oslo-akkoorden van 1993 volgt mislukking op mislukking. Lege beloften”, zegt Mohammed Srour.

In 1983 richtten christelijke militiestrijders uit Zuid-Libanon onder het toeziend oog van Israëlische troepen een slachting aan in de aangrenzende Palestijnse kampen in de Libanese hoofdstad Beiroet. Ze vermoordden er naar schatting duizend mannen, vrouwen en kinderen uit wraak voor de – aan Syrië toegeschreven – moord op de christelijke Libanese president Bashir Gemayel.

Vijf broers en de vader van Mohammed Srour werden tijdens het bloedbad vermoord. Hijzelf, toen 18 jaar oud, zag de militie komen en ontsnapte. Ashraf Magzoub was 14 jaar oud en wist met een zusje te ontkomen. Deze mannen hebben geen illusies.

Analist Paul Salem ziet wél een beetje hoop. President Barack Obama wil werkelijk een eind maken aan het conflict, zegt Salem, directeur van de afdeling Beiroet van de Amerikaanse denktank Carnegie Endowment. „Hij had geen ervaring, hij heeft fouten gemaakt, hij heeft moeten inbinden, maar van alle Amerikaanse presidenten is hij het meest geïnteresseerd in een oplossing. Met Amerikaanse troepen in Afghanistan en – nog een jaar – in Irak is het Midden-Oosten ook een Amerikaans veiligheidsbelang als nooit eerder het geval was.”

Helaas, zegt Salem, is afgezien van Obama al het andere verslechterd. „Er is zelden zo’n slechte Israëlische regering geweest en de Palestijnen zijn nooit eerder zo verdeeld geweest.”

In Sabra en Shatila hangt de zoetige stank van rottend afval. Etages zijn er lukraak op elkaar gestapeld en ogenschijnlijk aan elkaar geknoopt met een web van elektriciteitsdraden. Kogelgaten herinneren aan de burgeroorlog (1975-1990), aan het bloedbad en aan talloze onderlinge afrekeningen. Kinderen spelen er vreedzaam met neppistolen en namaakgeweren.

President Abbas’ organisatie Al-Fatah heeft hier de controle. Maar radicalere afsplitsingen manifesteren zich er ook. Buiten het kantoor van Fatah-Intifadah, dat zich in de burgeroorlog van Fatah afkeerde, zit een bewaker met een echte AK-47 in een verkommerde kappersstoel. Naast hem koestert een collega een pistool in zijn kruis.

De kampen huisvesten zo’n 10.000 van de 400.000 Palestijnse vluchtelingen in Libanon, het resultaat van de twee grote vluchtelingengolven van de oorlogen van 1948 en 1967. Libanon heeft er nooit een geheim van gemaakt dat het de Palestijnen alleen op tijdelijke basis duldt. Naturalisatie van de Palestijnen, merendeels sunnieten, zou de balans tussen de talrijke Libanese sekten verstoren. „We worden in Libanon als honden behandeld”, zegt Mohammed Srour. „Het woord Palestijn is hier een beschuldiging dat je terrorist bent.”

Van de verdeeldheid die analist Paul Salem noemt is hier niets te merken, in elk geval wat betreft de nieuwe vredesonderhandelingen. Zelfs de woordvoerder van Abbas’ eigen Al-Fatah in Beiroet, Hassan Bahir, ziet er niets in. „Abu Mazen [president Abbas’ koosnaam, red.] kon geen weerstand bieden aan de druk van zijn westerse donors om de directe onderhandelingen met Israël te hervatten. Anders krijgt zijn regering helemaal geen geld meer.”

„Abu Mazen wil laten zien dat hij een man van vrede is”, meent Srour. „De Israëlische premier Netanyahu zegt dat ook, maar die steelt land en zet Palestijnen uit hun huizen. En hoe kan je vrede verwachten als de tegenpartij met oorlog dreigt?”

Hoe dan ook heeft Israël uitgesloten dat de Palestijnse vluchtelingen in een vredesregeling naar hun vroegere huizen en land terugkeren. Het ‘recht op terugkeer’ is wat Jeruzalem en zijn bondgenoten betreft van de baan. Er zal wel een vorm van compensatie komen, denkt Salem.

Maar de Palestijnen van Sabra en Shatila zijn groot geworden met de droom van terugkeer en zelf voeden ze hun kinderen daar ook mee op. Ze mogen in Libanon alleen in de bouw en op het land werken, ze handelen wat en in de tussentijd dromen ze van Palestina. „God heeft het beloofd”, zegt Ashraf Magzoub. „Al wordt het tijdens het leven van mijn dochter.”