Herinneringen uit het ziekenhuis

Herinneringen uit het dodenhuis is de titel die Dostojevski gaf aan het aangrijpende boek dat hij schreef over zijn herinneringen aan de goelag van de tsaar (in wezen niet verschillend van die van Solzjenitsyn honderd jaar later). Waarom zou ik aan een artikel over mijn weliswaar minder dramatische ervaringen in het ziekenhuis niet de titel ‘Herinneringen uit het ziekenhuis’ geven?

Wanneer ik mij daaraan waag, dan is dat niet om mij met Dostojevski te meten, maar om verslag te doen van een vrij ingrijpende periode. Tien dagen ziekenhuis (in feite drie ziekenhuizen in de Haagse regio) is geen lange periode, maar zij gaf mij genoeg tijd voor reflectie. Eigenlijk was het geen nadenken wat ik deed, maar meer een laten opkomen van herinneringen aan mijn kinderjaren. Ik neem aan dat dat een normaal verschijnsel is bij mannen van mijn leeftijd.

Iedereen is, of hij het nu wil of niet, product van zijn omgeving. In mijn geval zijn dat er twee, want mijn moeder kwam uit Parijs. Maar haar omgeving was nogal bijzonder, want zij behoorde tot de protestantse minderheid – een getalsmatig niet, maar economisch wel vrij belangrijke groep, die zich o.a. ingezet heeft voor het redden van Joden tijdens de Duitse bezetting.

Maar toen was mijn moeder al zestien jaar dood, want zij stierf toen ik nog geen zeven was. Ik heb slechts enkele vage herinneringen aan haar. Maar als het waar is dat de eerste levensjaren beslissend zijn voor de vorming van een persoonlijkheid, dan moet haar invloed op mij groot zijn geweest. Ik weet alleen niet welke die is geweest.

Nu werd dit herinneringsproces mij gemakkelijk gemaakt, omdat ik een roman naar het ziekenhuis had meegenomen die speelt in Frans-Zwitserland, een streek waar ik in mijn jeugd vele vakanties heb doorgebracht. Die streek is protestants en heeft nauwe verbindingen met protestants Frankrijk. Het is dan ook met de kinderen van de zuster van mijn moeder, die met een Genevois getrouwd was, dat ik deels ben opgegroeid. Daar heb ik vrij goed Frans leren spreken, dat nu, bij gebrek aan oefening, wat versleten is geraakt.

Maar toch: toen ik, zo’n 35 jaar later, in Parijs eens in gesprek raakte met een Fransman, zei hij plotseling: „U heeft een klein accent dat mij zegt dat u uit Noord-Frankrijk komt.” Waarop ik zei: „Maar ik ben niet eens Fransman.” „Ah: maar u is geen Belg!” Dat moest ik toegeven. Een Zwitsers accent had ik dus blijkbaar niet. (De Genevois beweren trouwens dat in hun kanton het zuiverste Frans gesproken wordt.)

Maar terug naar het boek dat ik naar het ziekenhuis had meegenomen. De schrijfster ervan, Pernette Chaponnière, is een van die nichtjes die ik in mijn vakanties ontmoette. Haar roman, Ni la mort ni la vie (1961), speelt in een oud stadje, ergens tussen Genève en Lausanne, een stadje waar nooit iets gebeurt, maar waaraan de zonde en de verleiding niet voorbijgaan. Een hoofdfiguur is een predikant met een neurotische vrouw.

Kortom, we zitten midden in protestants land, maar het is geen zwaartillende roman, eerder luchthartig en geestig. Mij bracht lezing ervan terug in mijn jeugd. Ik was diep ontroerd, maar dat zal ook wel te maken hebben met mijn leeftijd en met de operatie die mij te wachten stond en die, zoals de medici mij hadden gewaarschuwd, niet zonder risico’s was.

Een andere gewaarwording die de lectuur van dit boek mij gaf, was de versterkte overtuiging dat ik, hoewel niet gelovig, door en door protestants ben – in denken en cultuur. Michel Rocard, enkele jaren minister-president onder de florentijnse president Mitterrand – conflicten zouden dan ook niet uitblijven – heb ik eens op de televisie horen zeggen: „Je suis protestant, et fier de l’être”. Ik zeg het hem nu na. Ds. A.A. Spijkerboer had dat al in 1975 in de gaten in een bespreking van mijn eerste boek.

Dat kan ook gemakkelijk, want zowel patri- als matrilineair zitten er nogal wat predikanten in mijn voorgeslacht. Ik verloochen hen niet, al is de appel ver van de boom gevallen. Betekent dit dat ik anti-rooms ben? Mijn vader was het, hoewel hij roomse vrienden had. Van mij is het ook wel gezegd, maar wie kan geen bewondering hebben voor het tweeduizend jaar oude monument van cultuur en levenswijsheid dat de kerk van Rome is? Alleen: haar cultuur is mij vreemd. Wat mij niet belet eveneens roomse vrienden te hebben. Eén hunner ontruk ik aan de vergetelheid: mijn te vroeg overleden collega en columnist ( Inktpotje en Zandlopertje, later gebundeld uitgegeven), Gerard van Huet, een van de aardigste en vooral meest belezen mensen die ik ooit gekend heb.

Mijn herinneringen aan Frans-Zwitserland wil ik afsluiten met een anekdote. Jaren geleden las ik in een Engels weekblad een bespreking van Zwitserse wijnen. Die eindigde met de observatie: „Zwitserland is het enige protestantse land waar wijn geteeld wordt. Daarom zijn die wijnen fatsoenlijk, maar zonder fantasie.” Leuk, ook als we weten dat de meeste wijnen uit het kanton Valais komen, dat toevallig in meerderheid rooms is. Overigens wordt dit ook van Nederland en de Nederlanders gezegd.

Een ander ervaring in het ziekenhuis die een herinnering aan de kinderjaren opriep, is dat ik er door talloze verpleegsters – hier kun je toch niet spreken van verpleegkundigen? – verzorgd en vertroeteld ben. Allerlei intieme handelingen verrichtten zij op mij. Had ooit iemand na mijn moeder mij in het bad gestopt, op de po gezet of mij een luier aangelegd? Kortom, ik ondervond er de moederlijke zorg die ik na mijn zesde niet meer gekend had (want de erotische liefde is toch een andere).

Ter verontschuldiging van dit persoonlijke relaas besluit ik met een citaat uit een ander boek van Dostojevski ( Aantekeningen uit het ondergrondse). De hoofdfiguur, de ‘kelderman’, vraagt aan het begin: „Waarover kan een fatsoenlijk man met het grootste genoegen praten? Antwoord: over zichzelf.” Welnu, dus zal ik ook over mezelf spreken. „Een literaire vlag misstaat een modderschuit niet.”