Geert Wilders - dat zijn wij

De bezwaren tegen de PVV zijn honorabel, maar slaan de plank mis. Wilders is niet de oorzaak, maar het symptoom van sociale desintegratie, stelt Bastiaan Bommeljé.

De bezwaren tegen politieke samenwerking met de PVV komen in essentie neer op drie kernpunten: Wilders zorgt voor scherpe tegenstellingen in de Nederlandse samenleving; Wilders brengt de godsdienstvrijheid in gevaar; Wilders is een blamage in het buitenland. Deze bezwaren zijn honorabel en zij worden geuit door honorabele mensen. De vraag is echter of ze hout snijden.

Het eerste probleem is: welke maatschappelijke tegenstellingen worden hier bedoeld? Zou het gaan om de tegenstelling tussen blanke studenten met vaak niet meer dan zeven tot negen uur college in de week enerzijds, en allochtone leerlingen die hetzelfde aantal uren lesuitval hebben op het vmbo anderzijds? Betreft het misschien de tegenstelling tussen de meer dan vijftig omroepdirecteuren die allen ver boven de Balkenendenorm verdienen enerzijds en de postbestellers die 8,34 euro bruto per uur vangen met als bonus elke avond Paul de Leeuw op de buis anderzijds?

Heeft men het wellicht over de tegenstelling tussen het college van bestuur van de universiteit van Maastricht dat onder Jo Ritzen routinematig vergadert in een etablissement met een Michelin-ster enerzijds, en de bewoners van bejaardenhuizen wier maaltijd minder geld mag kosten dan het eten in de gevangenis anderzijds? Zou het gaan om de tegenstelling tussen wetenschappelijk medewerkers in het hoger onderwijs die net twaalf weken vakantie hebben gehad enerzijds, en de gehandicapten in zorginstellingen die als uitje één pyjamadag per week hebben anderzijds? Handelt het om de tegenstelling tussen de ene helft van Amsterdam (ik bedoel de stad met de meeste bovenmodaal betaalde topambtenaren en beleidsmedewerkers per hoofd van de bevolking ter wereld) en de andere helft van Amsterdam (ik bedoel de stad met het hoogste percentage spijbelaars en schoolverlaters van het land)?

Of bedoelt men de tegenstelling tussen het Nederland waar hogescholen sjoemelen met het uitreiken van diploma’s en het land met het hoogste percentage jongeren zonder startkwalificatie van Europa?

Terwijl we op het antwoord wachten, is er gelegenheid ons te richten op het gevaar voor de godsdienstvrijheid. Welke godsdienstvrijheid heeft men hier voor ogen? Praat D66 over dezelfde godsdienstvrijheid als de christen-democratische prominenten? Hopelijk bedoelen allen toch de godsdienstvrijheid die is gefundeerd op de strikte scheiding van Kerk en Staat. Dus de godsdienstvrijheid waarin godsdienst vrij is als het recht van elk individu, maar nimmer de plicht mag zijn voor een groep. Derhalve de godsdienstvrijheid die de vrijheid betekent om in een seculiere samenleving particulier bijgeloof ondergeschikt te maken aan democratische regels van de gemeenschap. En dan gaat het om de godsdienstvrijheid waarin vaststaat dat in geval van conflict religieuze gebruiken altijd moeten wijken voor seculiere wetten. Hopelijk bedreigt Wilders kortom de godsdienstvrijheid die zo vrij is dat hij niet eens in gevaar gebracht kan worden, behalve misschien door religieuze fanatici die hun eigen dwaalleer dwingend aan anderen willen opleggen.

En hoe zit het dan met de reputatie van Nederland in het buitenland? Ook hier rijst de vraag om welke reputatie het nu gaat. Wellicht om de reputatie die ons land kreeg door de karatetrap van Nigel de Jong op het wereldkampioenschap voetbal, hetgeen The New York Review of Books bracht tot de paginabrede kop ‘Shame!’? Of gaat het om de reputatie van ons land na de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, die in Groot-Brittannië tot de stelling leidde dat onze natie gebukt gaat onder een vorm van ‘benign Apartheid’? De twee moorden waren hierin het gevolg van maatschappelijke tegenstellingen waarin de geprivilegieerde bovenklasse dronken is van zelffelicitatie ten koste van de niet-geprivilegieerde onderkant van de samenleving.

Deze diagnose betrof de Nederlandse samenleving nog voordat Geert Wilders ten tonele verscheen. Ik bedoel dus de samenleving die de afgelopen 25 jaar zo’n 40 miljard euro besteedde aan inburgeringspolitiek en integratiemaatregelen, hoewel niemand meer precies kan achterhalen waaraan dat geld is uitgegeven. Het resultaat is een samenleving waarin onder allochtonen vier keer zoveel werkloosheid heerst als onder autochtonen, waarin allochtonen gemiddeld 15 tot 25 procent minder verdienen dan autochtonen, twintig keer zoveel kans hebben met justitie in aanraking te komen en vijftig keer zoveel kans zonder examen hun school te verlaten. Ik bedoel een samenleving waar in de publieke sector veel meer geld wordt besteed aan ontslagvergoedingen, afkoopsommen en bonussen voor managers dan aan preventie van schooluitval, eerwraak en ongeletterdheid van de minder geprivilegieerden bij elkaar. En misschien is het geen toeval dat in zo’n samenleving de vaardigheid om abstracte teksten te begrijpen onder academici volgens de International Adult Literacy Survey zowat het geringst is van de gehele westerse wereld.

De weerzin tegen Wilders wordt dikwijls met ethische formules omkleed. Dat is niet verwonderlijk, want wegens de verzuilde structuren is in Nederland de rol van ethiek vanouds groter dan elders. Het probleem is echter dat de verzuiling tevens heeft gezorgd voor een onontwarbare verstrengeling van moraal en belangen, van ethiek en privileges. Dit maakt het zo moeilijk voor de media om Wilders te zien als een politicus met een beperkt argumentatief palet en niet als een diabolische bedreiger van morele waarden.

Men kan ethiek te hulp roepen zo hard men wil, maar ethiek kiest nimmer partij. Er is geen christelijke ethiek, net zomin als er islamitische ethiek bestaat, of een anti-Wilders ethiek die superieur is aan pro-Wilders ethiek, noch vice versa. In werkelijkheid zoeken wij wanhopig steun bij de ethiek, maar de ethiek niet bij ons. En uiteindelijk houdt men in het moeras van goed en kwaad doorgaans slechts droge voeten door niet te veel te vertrouwen op de ethiek.

Het is precies de verstrengeling van moraal en privileges die maakt dat de Nederlandse politiek en media zo hevig lijden aan hun Wilders-obsessie. De neurose komt voort uit het besef dat hij niet behoort tot ‘ons soort mensen’, maar wel een indirect product is van onze eigen prerogatieven. Hij lijkt niet op ons, maar als wij hem zien kijken we toch meer dan ons lief is in de spiegel. We zien iemand die een mening heeft over alles en verstand heeft van niets. We zien iemand die lijdt aan zelfvergroting, zelfinflatie en zelfoverschatting. Wij zien, kortom, onszelf, maar dan met geblondeerd haar.

Afgezien van de blonde pruik is er geen reden voor paniek. Wilders is immers slechts een symptoom en niet de reden van de maatschappelijke desintegratie. Dit wil niet zeggen dat hij per se hoeft te regeren. Want de neergang van Nederland – die kunnen wij samen met onze prominenten uitstekend alleen af.

Bastiaan Bommeljé is uitgever en boekhandelaar, alsmede redacteur van Hollands Maandblad.