De tweecilinderauto is terug

Luxer, zwaarder en zelfs een beetje zuiniger dan de oerversie is de nieuwe Fiat 500. De twee cilinders zijn terug, de trillingen geneutraliseerd.

Het bolgeklopte koetswerkje hadden ze al weer onder de knie, maar nu zijn ze er in Turijn ook in geslaagd die andere karaktertrek van de oer-Fiat 500 na te maken. Net als de 500 van 53 jaar geleden telt ook de nieuwe Fiat TwinAir slechts twee cilinders en daarmee is hij de enige moderne auto met dit cilindertal. Volgende week komt hij op de Nederlandse markt.

Toerend rond de Reeuwijkse plassen, het linnen kapje opengeschoven, is in de cabine een snorrend geluid te horen. Van de trillingen die je bij zo weinig cilinders zou verwachten is nauwelijks iets te bespeuren.

Klein en zuinig heeft een mooie toekomst voor zich, en de TwinAir laat zien hoe het verleden daarbij een inspiratiebron kan zijn. En hoe ver de techniek inmiddels is voortgeschreden – en in welke richting.

De oer-Fiat 500 reed 18 km met een liter benzine, de nieuwe komt daar 5 km verder mee. Toch is de nieuwe veel zwaarder (840 kg tegen 500 kg) en langer (3.50 m tegen 3 m) dan de oude. De oude 500 had een 499 cc motortje met twee luchtgekoelde cilinders dat achterin de auto lag en een vermogen van 22 pk had. De motor in de nieuwe TwinAir is watergekoeld, ligt voorin de auto, heeft een bijna twee keer zo grote cilinderinhoud (900cc) en het vermogen is inmiddels 85 pk. De topsnelheid was 95, hij is nu 160 km per uur. De primitieve stoeltjes en de klapraampjes hebben plaatsgemaakt voor sportzetels en airconditioning. De CO2-uitstoot is zeer gering: 95 gram per km, genoeg voor vrijstelling van wegenbelasting en BPM.

Die CO2-uitstoot was vijftig jaar geleden nog een onbekende grootheid, maar die twee cilinders waren er om dezelfde reden als nu: een tweecilinder is eenvoudiger, lichter en goedkoper dan de gebruikelijke viercilinder motor. Daarom hadden bijvoorbeeld ook de Citroën 2CV, de DAF 600 en de NSU Prinz uit de jaren vijftig twee cilinders.

Maar dat waren kleine autootjes met een gering vermogen. Als je grotere motoren wilt, ben je al gauw op vier cilinders aangewezen. Belangrijkste reden: een grote tweecilinder trilt te veel. Dat is het gevolg van een onvermijdelijke tekortkoming van de zuigermotor. In elke cilinder schiet de zuiger tientallen keren per seconde met een snelheid van zo’n zestig kilometer per uur op en neer, maar elke keer als hij op het onderste en bovenste dode punt aankomt, moet hij binnen een paar millimeter tot volledige stilstand afremmen. Dat geeft reactiekrachten die zich als trillingen manifesteren. Die krachten kunnen worden verminderd door de zuiger en de drijfstang zo licht mogelijk uit te voeren. Ook kan de krukas, de as die de op en neer gaande beweging van de zuiger omzet in een draaiende beweging voor de wielen, voorzien worden van contragewichten. Toch zijn daarmee niet alle trillingen weg.

Een motor uitrusten met meer cilinders helpt ook. De zuigerbewegingen in de ene cilinder kunnen dan worden ingezet om de bewegingen in de andere te compenseren. Bij een zescilinder motor is ongeveer de ideale situatie bereikt, maar een viercilinder motor biedt een heel werkbaar compromis. Dit type motor is in verreweg de meeste auto’s gemonteerd.

Waarom grijpt Fiat dan toch weer naar zo’n trillende tweecilinder, hoe goedkoop en ruimtebesparend die ook mag zijn? Omdat tegen de trillingen een effectief wapen is ingezet: de balansas. Dat is een aparte as die door een tandwiel wordt aangedreven en in tegengestelde richting als de krukas draait. De as heeft zijn eigen contragewichten en kan zo worden gedimensioneerd dat de trillingen die hij produceert de trillingen van de motor opheffen. En met succes, zo blijkt op het dijkje tussen Sluipwijk en Oukoop.

Een andere nieuwigheid van deze tweecilinder motor is de variabele klepbediening die door Fiat is ontwikkeld en al in een paar Alfa Romeo-modellen wordt toegepast. Met die zogeheten multi-air techniek kunnen met een hydraulisch mechanisme de grootte van de opening en het openingsmoment van de in-en uitlaatkleppen worden gevarieerd – al naar gelang toerental of gevraagd vermogen. In een traditionele benzinemotor zijn die ‘lichthoogte’ en dat openingsmoment van de kleppen vaste waarden, en dat beperkt de mogelijkheden voor brandstofbesparing. Verder is de TwinAir, net als veel andere moderne motoren, uitgerust met een turbocompressor. Dat is een hoogtoerige luchtpomp die aangedreven wordt door de uitlaatgassen en die de vulling van de motor met het benzine/luchtmengsel verbetert.

Al met al heeft een halve eeuw autotechniek dit kleine autootje iets zuiniger gemaakt. Tegelijkertijd is hij zwaarder, veiliger, veel sneller en oneindig veel comfortabeler geworden. En dat maakt duidelijk waar de innovatieve kracht van de automobielindustrie zich vooral op heeft gericht. Het vergt niet veel verbeeldingskracht om de natuurlijke habitat van de TwinAir voor je te zien: de boulevard, de hippe gracht en de blitse buitenwijk.