Wandeltocht langs stenen

Herman Vuijsje is socioloog en publicist. Onlangs kwam van hem een boek uit over een van de beroemdste Romeinse vestingwerken in West-Europa.

„Als ik iets ben”, zegt Herman Vuijsje, „ben ik een wandelaar.” Jaren geleden wandelde hij van Santiago de Compostela naar Amsterdam en beschreef zijn reis in een wekelijkse serie in NRC Handelsblad en later in het boek Pelgrim zonder god. Nu is van hem weer een typisch Vuijsje-wandelboek verschenen: Een grens van steen, op avontuur langs de Muur van Hadrianus . In dit rijk geïllustreerde boek doet hij verslag van een wandeltocht langs deze Romeinse grensversterking, door keizer Hadrianus rond 120 AD tussen Engeland en Schotland opgericht tegen de barbaren.

Vuijsje wandelt met zijn ogen. Bij hem geen litanieën over likdoorns, steken in de zij of regenbuien van Homerische omvang. Maar ook geen adembenemende vergezichten of beschrijvingen van romantische bosschages, althans niet hinderlijk. Vuijsje, en zijn wandelvriendin, Marian van de Veen - van Rijk, kijken minder naar de natuur dan naar wat mensen hebben gewrocht. En dat is wat de Romeinen en de Britten betreft niet mis.

Ooit moet de eerste steen voor de Muur zijn gelegd, ergens aan de oostkust bij Newcastle upon Tyne. Helaas staat de Industriële Revolutie niet bekend als een periode waarin veel eerbied aan de dag werd gelegd voor het historisch erfgoed. Het begin van de Muur moest wijken voor scheepsbouw en andere activiteiten. Niet één keer, maar een paar keer werd de Muur afgebroken en elders weer opgebouwd.

De zoektocht naar het begin van de Muur is exemplarisch voor het boek. Met liefde beschrijft Vuijsje de treurige volkswijken waar hij en zijn wandelkompaan de schim van de Muur najagen. Hier een inscriptie, daar een nagemaakt muurtje. Vuijsje laat zien dat de Muur mensenwerk is en dat mensen veranderlijk zijn.

Naast een boek over wandelplezier en de geschiedenis van de Muur, is Een grens van steen een verhaal over bewaren en reconstrueren. Wat doen we met architectonische cultuurgoederen? Gaan we verder verval tegen en stabiliseren we de aangetroffen situatie? Of moeten we in het verval een uitdaging zien de oorspronkelijke vorm te herstellen? In Northumbrië vindt de wandelaar de resultaten van beide benaderingen. In het wandelverslag van Vuijsje kan de lezer de voor- en nadelen van beide benaderingen lezen. Steeds met een ondertoon van nudge nudge, wink wink want een beetje mal zijn die Britten wel.

Zo is er niet zo lang geleden nog een Romeins badhuis gereconstrueerd, met gezamenlijke wc-ruimte. Een tekening in het boek toont Romeinen op de sanitaire zitgaten langs de muren. Maar bezoekers mogen deze toiletzaal niet gebruiken waarvoor hij is ontworpen. Terwijl dat volgens de architect, aldus Vuijsje, toch het saamhorigheidsgevoel van de gebruikers zou kunnen versterken.

Een lichte obsessie met het scabreuze kan Vuijsje niet worden ontzegd. Want zo kan zijn belangstelling voor afbeeldingen van fallussen toch wel worden gekenschetst. Al moet daar wel bij worden aangetekend dat de Romeinen daarmee zijn begonnen. Langs de route raakt Vuijsje in gesprek met hoteliers, Muur-fanaten, historici, namaak Romeinen en pretparkbeheerders. Iedereen leeft met Hadrian’s Wall, en allen hebben een onderhoudend verhaal. Wie dit boek uit heeft, voelt een onhoudbare drang op Google naar The Wall te zoeken.