'Politiek schetste irreëel beeld van Uruzgan-missie'

Het gebrek aan draagvlak voor verlenging van de Nederlandse missie in Uruzgan is voor een groot deel te wijten aan bewindslieden die geen reëel beeld hebben geschetst van de missie.

Dat zei onderzoeker Beatrice de Graaf van de Universiteit Leiden gisteren in een lezing bij een internationaal congres voor militair historici in Amsterdam. „Het gebrek aan steun voor de missie komt door onheldere boodschappen van ministers en militaire leiders”, aldus De Graaf.

Omdat er vooraf geen duidelijkheid werd gegeven over de precieze invulling van de missie, verpakten politici die als ‘opbouwmissie’ of juist als ‘vechtmissie’, terwijl de realiteit een combinatie van beide was. „We gaan vechten, vechten en vechten, en daarna is er gelegenheid voor stabilisatie en opbouw. Zoiets had de minister van Defensie meteen moeten zeggen.” Politici hadden vanaf het begin duidelijk moeten maken dat Nederland meedeed aan een zogeheten counterinsurgency-operatie (anti-guerrilla). „Ministers van Defensie waren bang dat woord te gebruiken omdat het een negatieve bijsmaak heeft.”

Ook in Nederlands-Indië werd gebruik gemaakt van min of meer dezelfde strategie.

Als voorbeeld noemde historicus De Graaf de vele operaties in de Baluchivallei door Nederlandse militairen. „Veel acties mislukten doordat militairen zich na een actie weer terugtrokken, waarna de Talibaan weer de vallei in gingen. De bevolking in Nederland verliest sneller vertrouwen in de missie als militairen steeds opnieuw hetzelfde stukje land moeten verdedigen.”