Moet men vrijwillig sterven of ondanks alles hopen?

Elke woensdag wordt een filosofisch dilemma besproken naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: hebben we recht op vrijwillig sterven?

Ik was dertien jaar toen een jongen uit de eindexamenklas op een nacht voor de trein sprong. De verbondenheid die tussen mensen kan bestaan had ik niet eerder zo gevoeld als op de dag die volgde. Voordat de dramatische gebeurtenis tot de algemene berichten van de schoolleiding behoorde, had deze van mond tot mond de hele school al bereikt en in een groot stilzwijgen gehuld.

Ik hoor mezelf nog de trap oplopen naar de lokalen in de P-gang. Het voor een schoolpauze kenmerkende gegil en gegooi ontbrak en iedereen liep gedwee met dezelfde brok in zijn keel en ogen vol ongeloof door de holle hoge ruimtes van het oude schoolgebouw. Wie de eerste uren gespijbeld had viel meteen door de mand. In de klas van mijn oudste zus bijvoorbeeld was een jongen pas na de tweede pauze verschenen. „Jezus”, galmde hij door het lokaal. „Wat is hier gebeurd? Is er iemand dood ofzo?” Aan de blikken van zijn klasgenoten had hij afgelezen dat zijn lollig bedoelde binnenkomer de verkeerde woorden op de verkeerde tijd en plaats waren. Met een rood hoofd maakte hij rechtsomkeert.

De dagen erna kwamen de verhalen los. We hoorden van de afscheidsbrieven aan zijn vriendinnetje, zijn vader, zijn moeder, zijn broers en aan twee van zijn vrienden, en we hoorden hoe hij vlak voor zijn laatste daad nog even bij zijn vader en moeder onder de deken was gekropen. Ik wist niet of ik het van kilheid of juist van empathie vond getuigen, zijn bezonnen voorbereidingen, weloverwogen was het in elk geval.

Al beheerste onbegrip dagen lang alle gesprekken thuis en op school, tussen mijn dertienjarige vriendjes en mij bestond de onuitgesproken consensus dat de daad onafwendbaar was geweest. Voor iedere dode geldt natuurlijk al dat diens lot moeilijk nog anders kan worden voorgesteld dan met de uiteindelijke afloop, maar voor het lot van een zelfmoordenaar geldt dat in het bijzonder. Als we hem herinneren bestaat er de neiging zijn hele leven als één lange aanloop te zien naar deze moord met voorbedachten rade.

Ik heb dat ook als ik het werk van de Duitse-Joodse filosoof Walter Benjamin lees. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog deed hij met een stel andere intellectuelen een vluchtpoging naar Amerika. In de Frans-Spaanse grensplaats Portbou verloor hij het vertrouwen in de goede afloop. Om uit handen van de nazi’s te blijven, nam hij een overdosis morfine. Misschien ten onrechte, want de rest heeft het gehaald, maar dat heeft Benjamin nooit meer geweten. Al kan zijn dood chronologischerwijs natuurlijk geen enkele invloed op zijn oeuvre hebben gehad, je denkt zijn daad toch altijd mee bij iedere letter die je van hem leest – als was zijn levenseinde een karaktereigenschap.

Onzin natuurlijk, de omstandigheden hadden maar een beetje anders hoeven zijn en Benjamin had als 79-jarige mijn geboortedag nog kunnen beleven. En omstandigheden zijn er altijd, bij iedere dood en bij iedere zelfdoding. Uit een proef die ProRail onlangs uitvoerde, blijkt een hek langs het spoor de omstandigheden al zodanig te beïnvloeden dat het aantal zelfdodingen afneemt. Met deze en andere maatregelen wil het spoorwegbedrijf in vier jaar tijd 5 procent minder zelfmoorden op het spoor realiseren. Omgerekend betekent dat, dat door ingrijpen in de omstandigheden op jaarbasis negen mensenlevens kunnen worden gered. Ik ben zo vrij aan te nemen dat het ProRail en de Nederlandse Spoorwegen niet zozeer om de levens gaat van negen zelfmoordenaars per jaar, maar vooral om de negen machinisten per jaar die dan niet in de Ziektewet eindigen. Want ik vermoed dat een hek niet altijd voldoende is om de zin in het leven weer terug te krijgen. Wie echt wil, die gaat. Dan maar niet voor de trein.

Al blijft het moeilijk uit te maken wat dan echt willen is. Uit het verslag van de vriendin van de jonge Nederlandse toproeier Daan Brühl, wiens dramatische zelfmoord zij beschrijft in een interview in de Volkskrant van 17 augustus, blijkt weliswaar een grote vastberadenheid tijdens de fatale messteek in zijn hart, maar deze zal eerder het gevolg zijn geweest van de gerookte wiet dan van zijn vrije wil. Het is in ieder geval een heel ander soort willen geweest dan het zelfgekozen einde van de horecaondernemer Sjoerd Kooistra. We kunnen natuurlijk niet in zijn hoofd kijken, en we kunnen het hem nu ook niet meer vragen, maar uit interviews weten we dat Kooistra tegen zijn reputatie in ervan overtuigd was dat hij eerlijke handel dreef. Door onder meer zijn conflict met Heineken had hij alle redenen om aan te nemen dat zijn zelfgemaakte fortuin en levenswerk hem ontnomen zouden worden. Kooistra zal zich gevoeld hebben als de mythische figuur Sisyfus, nadat deze voor de zoveelste keer moet aanzien hoe de zware rots die hij de berg oprolde bij aankomst weer naar beneden dendert. Dan is de vraag legitiem: wat heeft het leven nog voor zin? Als het leven volstrekt zinloos schijnt, is zelfmoord dan niet redelijkerwijs de oplossing? En kunnen we zeggen dat we in zo’n geval dood willen, uit vrije wil? Of zoals de Franse filosoof Albert Camus (1913-1960) vraagt in De mythe van Sisyfus (1943): „Moet men vrijwillig sterven of ondanks alles hopen?”

Volgens Camus is de vraag „of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden”, zelfs dé fundamentele vraag van de filosofie. En iedereen is gevoelig voor deze meest filosofische kwestie, volgens hem, omdat ze samenvalt met wat hij noemt de absurditeit van het leven, namelijk dat ons eigen eindige leven in het licht van de onverschillige eeuwigheid niets voorstelt. Bij zoveel zinloosheid lijkt het voor de hand liggend dat als de lol er een beetje af is, dat de dood dan redelijkerwijs gewild kan worden. Camus bestrijdt dat. Hij zou niemand zogezegd de vrijheid tot zelfmoord willen ontnemen, maar met redelijkheid heeft een zelfgekozen dood niets te maken. Al is het lijden nog zo zinloos, je kunt daarom niet zeggen dat we ‘dus’ niet hoeven te lijden. „Dit ‘dus’ is te veel. Er is hier geen enkele logische zekerheid.”

Het moet een harde les zijn voor de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). De vereniging, zo meldt de Volkskrant op 9 augustus, onderzoekt de haalbaarheid van een levenseindekliniek. Het idee voor zo’n kliniek, schrijft de krant, „is mede ingegeven door de uitkomsten van de NVVE-actie Week van het Voltooid Leven, eerder dit jaar. Daaruit kwam naar voren dat veel ouderen die vinden dat hun leven ‘klaar’ is, hulp willen bij het beëindigen van hun leven.”

De Week van het Voltooid Leven, het is weer eens wat anders dan de Maand van het Spannende Boek, maar een beetje eng is het wel. De NVVE draait de logica van het spannende boek om. In een thriller zoeken we pas een motief als er een lijk is. De NVVE heeft het motief al, en wil dan een lijk. In een uitzending van het actualiteitenprogramma Nova vorig jaar, noemde de 85-jarige Helga Renardel de Lavalet het „schandalig” dat een gezonde burger bij zijn verstand nog niet mag tekenen voor een vrijwillig levenseinde mocht hij dement raken: „Het is zijn leven, en het is zijn wens, dus...” Dit dus is te veel, zou Camus zeggen. Het is misschien absurd, maar schandalig zeker niet. Zolang een mens niet vrijwillig aan het leven begint kan hij het logischerwijs ook niet vrijwillig beëindigen.

Coen Simon is schrijver en filosoof. Onlangs verscheen zijn ‘Zo begint iedere ziener. Een filosofische ontdekking van de wereld’. (Prometheus) www.coensimon.nl