Imam Obama

Amerikanen zijn buitengewoon ongelukkig met hun president. Zoiets lijkt voor de hand te liggen. Immers, wat kun je anders verwachten wanneer het publiek de man eerst binnenhaalt als de nieuwe messias. Dan weet je dat er dat moment gaat komen, waarop blijkt dat hij niet over het water kan lopen. De euforie van de mijlpaal – een eerste zwarte president – verdwijnt sowieso snel. Zo gaat dat met mijlpalen – die blijven staan en de karavaan trekt verder.

Wat dat betreft had president Obama de pech van al die onbeteugelde hosanna’s, met als euforisch dieptepunt waarschijnlijk die Nobelprijs voor de Vrede in Oslo. Dan kun je bijna niet anders dan teleurstellen, hoe goed het verder ook gaat.

Maar het gaat niet goed. Amerika zit met 10 procent werkloosheid, de grootste staatsschuld ooit sedert de Tweede Wereldoorlog en een economisch vliegwiel dat maar niet op gang wil komen. Voor een deel ontbreekt ook de regie, want het hele Westen, inclusief Amerika, warmt zich toch vooral aan de economische dynamiek van Azië. Dat maakt het land kwetsbaar.

Amerika blijkt ook te individualistisch voor een gematigd man van het verzoenende midden. Zijn bitter bevochten zege bij de ziektekostenverzekering bleek niet het begin van een sociale omwenteling. Obama moest flink water bij de wijn doen, nog altijd zal zo’n 15 procent – het dispuut daarover loopt nog – van de Amerikanen onverzekerd blijven. Maar het compromis illustreerde toch vooral één ding: de meeste welgestelde Amerikanen willen niet betalen voor hun arme landgenoten.

Maar gek genoeg blijkt Obama’s grootste probleem dat hij op een of andere manier niet de president van zijn landgenoten is geworden. Hij viert vakantie in Martha’s Vineyard, hij heeft een verfijnde literaire smaak, zijn vrouw vliegt met de kinderen voor een vakantie naar Marbella. Bij de olieramp was hij net zo afwezig als destijds zijn voorganger Bush bij de orkaan Katrina. Alsof de compassieantenne ontbrak. Terwijl een president minstens zozeer wordt beoordeeld op de lotsverbondenheid die hij voelt als op zijn bestuurlijke daden. Het is de monarchale kant van een presidentschap. Daar is, zoals Amerikanen zeggen, bij Obama een helder geval van disconnect.

Echt een rommeltje is het bij de Ground Zero-moskee. Dat is zo’n verhit debat geworden dat mensen naar hun president kijken. Daar is geen ontkomen aan. De president verdedigde eerst het recht om in zuidelijk Manhattan een moskee te bouwen. Een dag later gevraagd of het ook een goed idee was, gaf hij geen commentaar onder het overigens volkomen correcte motto: daar gaat de burgemeester van de stad over, niet de president. Een paar dagen later liet hij zijn woordvoerder bevestigen dat dit zijn standpunt was. Alsof hij een advocaat is, die onberispelijk weet te handelen.

Hij had zijn karakter kunnen volgen en de moskee kunnen verdedigen. Dat is geen populair standpunt, maar het had bij zijn karakter gepast. Zijn aanhangers hadden zich in hem kunnen herkennen, zijn tegenstanders hadden in elk geval zijn karakter te zien gekregen. Maar hij kwam er niet uit: typisch een dilemma van een man die een middenweg wil bewandelen, maar voor een T-kruising staat.

De charme van presidentskandidaat Obama leek steeds dat hij misschien een einde zou kunnen maken aan de heftige, verlammende polarisatie in het land. Het neoconservatisme leek met Bush uitgeraasd, de genante geldzucht van Wall Street leek ontmaskerd. Er kwam weer ruimte voor een nuttige, handelende overheid. Daar kwam een postpolarisatiekandidaat, zo leek het, als geroepen.

Ook voor Europeanen was dat aantrekkelijk, want Europa is niet gebaat bij een Amerika dat slechts gedreven wordt door een kapitalistische ieder-voor-zichbonanza. Daar houd je geen samenlevingen mee bij elkaar.

Maar twee jaar later ligt Amerika er heel anders bij. Links en rechts voeren weer ideologische oorlogen als vanouds en rechts is weer aan de winnende hand. En erger nog, de strijd gaat via rauwe, anti-democratische hetze en campagne. En het werkt. De rabiate haatzaaier Rush Limbaugh met zijn radiostation noemt de president afwisselend ‘Barack Hussein Obama’ dan wel ‘imam Obama’. Op het respectabele televisiestation CNN kun je een rechtse evangelist doodleuk horen zeggen dat „Obama een moslim is: zijn vader was een moslim. Bij moslims gaat het zaad van het geloof via de vader, bij het jodendom loopt dat via de moeder.”

Dat het kletspraat is, is een hulpeloze constatering. In zo’n islamofobiecampagne doet het er allemaal niet toe. Niet feiten, maar humeuren domineren en Obama is er hopeloos in verstrikt. Volgens de jongste peiling van het zorgvuldige Pew Research Center gelooft inmiddels bijna 20 procent dat Obama een moslim is. In zoverre is Obama’s aftakeling niet bepaald een feest voor de democratie. We zijn getuige van irrationele driften.

Waait dit weer over?

Misschien wel want er gebeurt altijd wel weer wat onverwachts ergens in de wereld. Maar waarschijnlijk niet. De polarisatie blijkt met de verkiezingsoverwinning van Obama niet uitgestorven.

Bovendien speelt op de achtergrond steeds nog iets anders mee: Amerika is geen onbetwiste supermogendheid meer. Het ziet zich van alle kanten bedreigd: vanuit het aanstormende China, vanuit de gordel van instabiliteit in het Midden-Oosten en heel letterlijk vanuit Mexico, dat meer en meer desintegreert als een narcostaat van waaruit de mensen richting noorderbuur proberen te ontkomen.

Machtsverlies, een zorgwekkende economische toestand, een gevoel van omsingeling – dat is een stevige cocktail. Hordes politieke kwakzalvers kunnen zich er nog lange tijd aan bezatten.