Geloof en genen

Bondskanselier Angela Merkel gebruikte geen grote woorden toen ze de immigratie- en islamtheorie van Thilo Sarrazin, bestuurder van de Bundesbank, „zeer, zeer polemisch” noemde. Dankzij zijn eergisteren gepubliceerde boek Deutschland schafft zich ab beheerst de centralebankier het gesprek van de dag in de Bondsrepubliek.

De topambtenaar betrekt in deze dikke pil de stelling dat het land bezwijkt onder de islamitische immigratie. Anders dan Aziatische migranten zijn moslims volgens hem niet in staat noch bereid om binnen één generatie te integreren. Omdat hun vruchtbaarheid ook hoger is, wonen er in het jaar 2100 in Duitsland meer Turken dan Duitsers, aldus Sarrazin.

Hij baseert zich niet alleen op sociale en culturele opvattingen, maar ook op eugenetica. Het Joodse volk bijvoorbeeld is om genetische redenen intelligenter, herhaalde Sarrazin gisteravond in een televisie-interview. In een land met zo’n voorgeschiedenis als de Bondsrepubliek is dit brouwsel een mengsel van sociale, culturele, demografische en biologische argumenten al genoeg reden voor commotie.

Bovendien is Sarrazin geen geneticus, maar econoom. Daardoor missen zijn theorieën een wetenschappelijke basis en worden ze dus meteen politiek. Wellicht is er juist om die politieke reden ook instemmend gereageerd op Deutschland schafft zich ab, ook binnen zijn eigen SPD. Terwijl het bestuur zich buigt over een royementsverzoek, ontving het Willy Brandt Huis van de SPD vooral positieve reacties. Zij het dat daarin doorklinkt dat Sarrazin met zijn ongefundeerde gentheorie de grens heeft overschreden.

Over die laatste conclusie moet ook de Bundesbank zich buigen. Dat de integratie van etnische minderheden in Duitsland ook niet geruisloos is verlopen, een feit waarmee de Duitsers door hun eigen geschiedenis niet onbekommerd kunnen en mogen omgaan, is niet de hoofdzaak. Aan de orde is wel of een centralebankier de eerst aangewezene is om daarin het voortouw te nemen.

Uiteraard kan en mag Sarrazin, die al langer bekendstond als een man van stevige teksten, zich beroepen op zijn grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Maar ook dan is het de vraag of een centralebankier die vrijheid in dezelfde mate moet gebruiken als een politicus of een burger.

Als bestuurder van de Bundesbank is hij topambtenaar en hoeft hij geen politieke verantwoording af te leggen. Binnen zijn vakgebied moet hij vrij zijn opvattingen uiten. Buiten de eigen ambtelijke competentie is wat terughoudendheid geboden. De paradox is dat de Bundesbank zijn bestuurder vermoedelijk niet kan ontslaan wegens het boek dat hij als gewoon burger heeft geschreven. Dat kan slechts als Sarrazin „ernstig ambtelijk falen” zou kunnen worden verweten.

De Bundesbank zal haar eigengereide medebestuurder dus alleen op de vingers kunnen tikken. Het resultaat is dan dat Sarrazin een wellicht zinvolle maatschappelijke discussie heeft uitgelokt, maar de Bundesbank heeft besmet als een technocratisch orgaan dat boven alle partijen moet staan.