China heeft sleutel kalimarkt

De slag van 40 miljard dollar (31 miljard euro) om het Canadese Potash Corp. draait om China. ’s Werelds volkrijkste land bepaalt voor een groot deel de prijs van kali, een kerningrediënt van een bepaald soort kunstmest. Naarmate een rijker wordend China meer consumeert, zal het gebruik van potas toenemen. Dat leidt tot hogere prijzen voor producenten als Potash Corp., dat zich verzet tegen een bod van BHP Billiton.

Toch zou deze verleidelijk eenvoudige logica, die van levensbelang is voor de verdediging van de waarde van Potash Corp., ook wel eens niet kunnen kloppen.

De potasprijzen liggen momenteel op zo’n 350 dollar (260 euro) per ton. Lange tijd bedroegen ze nog niet de helft daarvan, voordat ze in 2008 omhoogschoten naar een niveau van 1000 dollar (740 euro) per ton. Analisten die Potash Corp. waarderen gaan er nu meestal van uit dat de prijs op de langere termijn zal uitkomen op ongeveer 400 dollar (297 euro) per ton. Iedere stijging van 50 dollar voegt zo’n 6 miljard dollar (4,5 miljard euro) toe aan de waarde van Potash Corp.

Er zit enige logica in het optimistische scenario. Naarmate de groeiende bevolking van China meer vlees gaat eten, zou de graanbehoefte moeten toenemen. Het probleem is dat het historische groeitempo van het kunstmestgebruik bedrieglijk hoog kan zijn. Vijftig jaar geleden gebruikte China nauwelijks kunstmest. Maar de inhaalfase is nu grotendeels voorbij, dus trends uit het verleden kunnen niet zonder meer op de toekomst worden geprojecteerd.

Intussen zijn er mogelijkheden om de oogsten te verhogen zonder daarvoor meer kali te hoeven inzetten. Een doelmatiger, gemechaniseerd gebruik van kunstmest is een optie; het consolideren van het grote aantal kleine boerderijen een andere. Het toenemend gebruik van genetisch gemodificeerde zaden, vandaag de dag nog nauwelijks in zwang in China, kan de optelsom nog verder neerwaarts beïnvloeden.

De grootste aanname is echter dat China altijd zijn eigen gewassen zal willen verbouwen. Het land heeft sinds midden jaren negentig zelfvoorziening op voedselgebied nagestreefd. Maar dat is een keuze, geen onvermijdelijkheid. Sommige gewassen komen al uit het buitenland: China haalt de helft van zijn sojabonen uit Argentinië.

Op de langere termijn is importeren verstandiger. China heeft een grote beroepsbevolking en weinig landbouwgrond. Daardoor is het land geschikt voor de teelt van fruit of tabak, maar niet om graan te verbouwen. Het in stand houden van inefficiënte graanlanderijen voegt weinig waarde toe, vergt subsidies die impopulair zijn bij de handelspartners, en legt een grote claim op het schaarse water.

Dergelijke landerijen zullen ook intensiever potasgebruik kennen dan landen waarvan de bodem beter geschikt is om graan te verbouwen.

Dat betekent niet dat het optimisme over hogere prijzen a priori verkeerd is. De Chinese importen van kali zullen vrijwel zeker toenemen. Maar of dat ook werkelijk tot hogere prijzen zal leiden hangt vooral af van de Chinese beleidsmakers. Belegers in Potash Corp. moeten dat voor ogen houden.