Blomstedt mist goddelijke mystiek

Klassiek Gustav Mahler Jugend-orchester o.l.v. Herbert Blomstedt, m.m.v. Christian Gerhaher, bariton. 31/8 Concertgebouw Amsterdam. ****

‘Hear my prayer, oh Lord’. Met dat religieuze werk van Henry Purcell toont de opening van Bruckners Negende symfonie een aardige gelijkenis in ritme en toonsafstand. Toeval of niet, Bruckner droeg zijn onvoltooid gebleven symfonie op aan ‘dem lieben Gott’ en het tot de hemel gerichte werk kan als één lang gebed worden geïnterpreteerd.

Zo niet door Herbert Blomstedt. Met het Gustav Mahler Jugendorchester, in 1986 opgericht door Claudio Abbado en aan permanente verjonging onderhevig, toert de Zweeds-Amerikaanse dirigent langs Europese zalen. Het concert gisteren in het Concertgebouw was het laatste in de Robeco Zomerconcertserie.

Met zijn zeer getalenteerde musici maakte Blomstedt van de Negende daar gisteren een volromantisch avontuur, langs dramatische pieken en diep zwarte dalen. Een enerverende gebeurtenis, zeker. Ondanks climaxen als stortregens werd de totaalklank zelden plat of schel. De twaalf (!) contrabassisten stonden in een halve cirkel om het orkest als in een warme omhelzing. Het koper dwong respect af, dwarsfluitist Andre Cebrián Garea speelde briljant. De grotendeels vrouwelijke strijkerssectie zinderde.

Maar de goddelijke mystiek werd soms gemist, vooral in die magische openingsmaten en aan het verstilde slot waar nu nuchterheid loerde. Voordeel bij Blomstedts vlotte aanpak: een fel en zeldzaam spits middendeel, waar de headbangende orkestleden middenin doken.

Die aardse Bruckner sloot zo ook mooi aan op de Lieder eines fahrenden Gesellen van Mahler, waarin onstuimig liefdesverdriet de lente doet verdorren. Bariton Christian Gerhaher bewees zich andermaal als Mahlerspecialist met geraffineerd gevoel voor labiele stemmingen. Voorzichtig en meestal nauwkeurig begeleid kwam Gerhaher tot bedrukte overpeinzingen en verbeten twijfels, om zich na een uitbarsting van wanhoop ten slotte wel in zoete dromen te verliezen.