Anton was het allemaal zat, weten ze in Wijk C

De vorige week overleden Anton Geesink was in zijn geboortestad Utrecht heel populair. „Ach meneer, hij heeft zijn hele leven op z’n tenen gelopen”, zegt de uitbaatster in zijn stamcafé.

De Utrechtse volksheld Anton Geesink was een wereldburger. Bij de buste van de vorige week overleden zwaargewicht liggen niet alleen bloemen van vrienden uit zijn stamcafé Van Wegen maar ook kransen van de Japanse ambassadeur, sportkoepel NOC*NSF en de internationale judobond.

Het borstbeeld werd in 1995 op zijn 61ste verjaardag onthuld, op initiatief van bewoners uit Wijk C, een typische volksbuurt waar Rijk de Gooijer over zong en Herman van Veen zijn jeugd doorbracht. Hier groeide ook Anton Geesink op, haalde hij kattekwaad uit, kreeg hij zijn eerste judoles. „Hier durfden de Duitsers in de oorlog niet te komen”, overdreef hij in interviews.

De buste is uit één stuk gegoten, net zo kolossaal als Geesink zelf. En nog zonder inscriptie, want voor een levende legende gebeeldhouwd. Geesink staat op het Jacobskerkhof in een verdomhoekje, vindt ook een voorbijganger die de kaarten en brieven aan de overledene bestudeert. „Zeg maar gerust een zeikhoekie, meneer.” Zo’n groot sportman, zo’n invloedrijke bestuurder, zo’n populaire stadgenoot (uitgeroepen tot Utrechter van de Eeuw), verdient een mooiere plek, vindt niet alleen de voorbijganger.

Om de hoek is café Van Wegen, al vóór de oorlog de stamkroeg van de familie Geesink. Zijn ouders kwamen er, zijn vrouw, zijn kinderen en nu ook zijn kleinkinderen. Een huiskamersfeer met biljart in het midden. Anton hield geen keu vast, legde ook nooit een kaartje. Hij zat het liefst te kletsen en ongein te maken met zijn maten Tonnie Tukker en ‘Lammie de Leugenaar’, beiden stukadoor van beroep – net als Geesink tot hij professioneel judoka werd. Zij tilden één baal de steiger op, Anton pakte er twee of drie tegelijk.

Uitbaatster en generatiegenoot Riek van Wegen kent Anton Gee- sink al van vóór de oorlog. Ze zeiden altijd je en jij, behalve als in het café IOC-leden over de vloer kwamen, dan was het meneer Geesink voor mevrouw Van Wegen. Ze vertelt stilletjes over de taal- en spraaklessen die burgemeester De Ranitz in de jaren zestig voor de ereburger van Utrecht regelde. Geesink was op zijn twaalfde van school gegaan en sprak als jochie plat Utrechts dialect.

„Anton was een stille, rustige jongen die zich door de sport heeft kunnen ontwikkelen”, vertelt Riek van Wegen een dag voor de crematie. Die zou vanmiddag in besloten kring plaatsvinden. De caféhoudster is met haar zoon op verzoek van de familie Geesink aanwezig. Riek van Wegen: „Hij was een echte family man. Als hij weer eens werd gepest op televisie kon hij daar zelf goed mee omgaan, maar hij vond het heel rot voor zijn gezin. Weet u, hij heeft z’n hele leven op zijn tenen moeten lopen, hij had het wel gezien.”

Andere vrienden van Geesink bevestigen dat de onverwoestbare bouwvakker, de onverslaanbare judoka en de strijdbare bestuurder steeds meer tekenen van levensmoeheid vertoonde. De almaar herhaalde persiflage van cabaretier Erik van Muiswinkel („Ik heb hier een brief van Samaranch”), de vele kritische interviews en de blijvende ruzies met bestuursleden van NOC*NSF: volgens intimi was hij het zat. En de kolos vertoonde ook slijtageverschijnselen. De man was op – zowel geestelijk als lichamelijk – zo is de teneur in Wijk C.

De laatste jaren sleepte mastodont Geesink zich voort met twee kunstknieën. Hij kon niet meer lopend naar zijn favoriete viskraam op de markt en bleef in zijn terreinwagen zitten als echtgenote Jans de boodschappen deed. „Dan stopte ik hem in de auto wel eens een beker bier toe, heerlijk vond hij dat”, zegt zoon Niek Veerman van café Van Wegen.

De kastelein vertelt over de humor, de eetlust én het sociale hart van zijn beroemde stamgast. Veerman, met een glimlach die weemoed verraadt: „Anton liet in Japan speciaal voor mijn zoon een judopak op maat maken. Hij kocht daar in speciale winkels ook bretels en stropdassen voor kameraden die net zo groot en breed als hij waren. En als hij het café verliet, knoopte hij de ceintuur van zijn regenjas vast alsof hij zijn judopak aansnoerde. Even de mat op, maar niet heus.”

In het café vroeg Geesink altijd om het niet bestaande palingpotensoep, vertelt Veerman. „Ach Anton, hij zei wel eens: ‘Ik kan nergens ongestoord komen of wegblijven, want ze zien me meteen of ze vragen de hele avond waar die lange blijft.’ Het liefst was hij alleen of met een klein groepje bekenden. Eerst hier en daarna bij restaurant Chez Jacqueline, zijn favoriete restaurant even verderop. Want eten kon hij als de beste.”