Afscheid van een robuuste familyman

De buste van overleden oud-judokampioen Anton Geesink staat in de Utrechtse volkswijk waar hij opgroeide.

Maar die staat wel ergens in een verdomhoekje.

De Utrechtse volksheld Anton Geesink was een wereldburger. Bij de buste van de vorige week overleden zwaargewicht liggen bloemen van vrienden uit zijn stamcafé maar ook kransen van de Japanse ambassadeur en de Wereldjudobond.

Het borstbeeld was midden jaren negentig een initiatief van bewoners uit Wijk C, een typische volkswijk waar ook Herman van Veen opgroeide. Hier bracht Anton Geesink zijn jeugd door, haalde hij kattekwaad uit, kreeg hij zijn eerste judoles. „Hier durfden de Duitsers niet te komen, speelden wij voor eigen rechter”, overdreef hij.

De buste is uit één stuk gegoten, net zo kolossaal als Geesink zelf. En nog zonder inscriptie, want voor een levende legende gebeeldhouwd. Geesink staat in een verdomhoekje op het Jacobskerkhof, vindt ook een voorbijganger die de kaarten en brieven aan de overledene bestudeert. „Zeg maar gerust een zeikhoekie, meneer.” Zo’n groot sportman, zo’n invloedrijke bestuurder, zo’n populaire stadgenoot (Utrechter van de Eeuw), verdient een mooiere plek, vindt niet alleen de voorbijganger.

Om de hoek is café Van Wegen, al vóór de oorlog de stamkroeg van de familie Geesink. Zijn ouders kwamen er, zijn vrouw, zijn kinderen en nu ook zijn kleinkinderen. Een huiskamersfeer met biljart in het midden. Anton hield geen keu vast, legde ook nooit een kaartje. Hij zat het liefst ongein te maken met zijn maten Tonnie Tukker en ‘Lammie de Leugenaar’. Beiden stukadoor van beroep net als Geesink, tot hij professioneel judoka werd. Zij tilden één baal de steiger op, Anton pakte er twee of drie tegelijk.

Uitbaatster en generatiegenoot Riek van Wegen kent Anton Geesink al van vóór de oorlog. Ze zeiden altijd je en jij, behalve als IOC-leden over de vloer kwamen, dan was het meneer Geesink voor mevrouw Van Wegen. Ze vertelt stilletjes over de taal- en spraaklessen die burgemeester De Ranitz in de jaren zestig voor de ereburger van Utrecht regelde. Hij was op zijn twaalfde van school gegaan en sprak in plat Utrechts dialect.

Riek van Wegen: „Hij was een echte family man. Als hij weer eens werd gepest op televisie kon hij daar zelf goed mee omgaan, maar hij vond het heel rot voor zijn gezin. Weet u, hij heeft z’n hele leven op zijn tenen moeten lopen, hij had het wel gezien.”

Andere vrienden van Geesink bevestigen dat de onverwoestbare bouwvakker, de onverslaanbare judoka en de strijdbare bestuurder steeds meer tekenen van levensmoeheid vertoonde. De persiflage van cabaretier Erik van Muiswinkel, de kritische interviews en de ruzies met bestuursleden van NOC*NSF: volgens intimi was hij het zat. En de kolos vertoonde ook slijtageverschijnselen. De man was op, zo is de teneur in Wijk C.

De laatste jaren sleepte mastodont Geesink zich voort met twee kunstknieën. Hij kon niet meer lopend naar zijn favoriete haringkar op de markt en bleef in zijn jeep zitten als echtgenote Jans de boodschappen deed. „Dan stopte ik hem in de auto wel eens een beker bier toe, heerlijk vond hij dat”, zegt zoon Niek Veerman van café Van Wegen.

De kastelein, met een glimlach die weemoed verraadt: „Anton liet in Japan speciaal voor mijn zoon een judopak op maat maken. Hij kocht daar in speciale winkels ook bretels en stropdassen voor kameraden die net zo groot en breed als hij waren. En als hij het café verliet, knoopte hij de centuur van zijn regenjas vast alsof hij zijn judopak aansnoerde. Even de mat op, maar niet heus.”

In het café vroeg Geesink altijd om het recept voor palingpotensoep, vertelt Veerman. „Ach Anton, hij zei wel eens: ‘Ik kan nergens ongestoord komen of wegblijven, want ze zien me meteen of ze vragen de hele avond waar die lange blijft.’ Het liefst was hij alleen of met een klein groepje bekenden. Eerst hier en daarna bij restaurant Chez Jacqueline, even verderop.”