Afscheid

Zo’n twintig bloemstukken telde ik ’s avonds om zes uur voor het borstbeeld van Anton Geesink nabij de protestantse Jacobikerk, dichtbij het centrum van Utrecht. Twintig – na een hele dag een magere oogst. Als Utrecht intens om zijn beroemdste zoon gerouwd had, zou het trottoir tot aan de parkeergarage bij de Bijenkorf, even verderop, onder de bloemen zijn bedolven.

Ik liep Wijk C in, die achter de Jacobikerk begint. Hier was hij geboren in een volkswijk die altijd een volkswijk is gebleven, zij het voor het grootste deel ingrijpend vernieuwd. Nergens was enig teken van rouw te zien, afgezien van een foto in de vitrine van het wijkmuseum.

Hij is een jonge man op die foto, meer jongen dan man. Hij moet nog bouwvakker zijn geweest. De fotograaf heeft hem in ieder geval de pose van een schaftende bouwvakker laten aannemen: een fles melk op de knie, achter hem een ladder. Zoveel jaar later krijgt de foto een toen onbedoelde symboliek: de melk staat voor zijn kracht, de ladder zal hem naar de top helpen. Maar belangrijker is dat hij op deze foto nog onbezorgd kan lachen.

Een uur later zie ik hem in zijn kist liggen, midden in de sportzaal van zijn sportschool aan de Anton Geesinkstraat in Ondiep, ook een volkswijk, nu in het noordwesten van Utrecht. Vijf oude judoka’s staan in hun kimono’s om hem heen, op een tribune er tegenover kijkt een aantal oudere mensen, vooral mannen, zwijgend toe. Buiten staan nog enkele honderden mensen te wachten om binnengelaten te worden. Veel mensen uit de buurt – hij woonde hier lang boven zijn school.

Als er niet enkele tv-ploegen waren, zou je de indruk krijgen dat hier een soort lokale gebeurtenis plaatsvindt, niet het afscheid van een van de grootste legenden uit de Nederlandse sportgeschiedenis. Ondiep rouwt, de stad Utrecht al een stuk minder en de rest van Nederland nauwelijks. Er is iets misgegaan tussen Anton Geesink en het grote publiek – maar wat?

In mijn bus naar het station vraagt de chauffeur aan een man die naast hem staat: „Hoe oud is-ie eigenlijk geworden?” „Zesenzeventig”, zegt de man, „toch nog een mooie leeftijd.”

Misschien moet je jonger sterven om hartstochtelijk beweend te worden, maar in het geval van Geesink lijkt er meer aan de hand. Thuisgekomen val ik halverwege in een tv-documentaire over hem. Daar is hij weer de vleesgeworden verongelijktheid zoals we hem steeds meer leerden kennen. Verbeten en verbitterd, onwrikbaar overtuigd van zijn eigen gelijk. Hij noemt zijn tegenstander Hans Blankert consequent „H.B. te R.” Zijn zoon vertelt dat pa zijn vrolijkheid is kwijtgeraakt.

Zijn querulantisme maakte hem tot een ideaal doelwit voor satirici. Wie aan Geesink dacht, dacht aan Erik van Muiswinkel die uit de zoveelste boze brief aan de zoveelste onbekwame sportbobo citeerde.

Geesink werd een onbegrepene – een menssoort die op den duur alleen nog met een meewarig schouderophalen vanuit de verte gevolgd wordt. Waar zijn ruzies precies over gingen, wisten we niet meer – en wilden we ook niet meer weten.

Wat bezielde hem? Is hij in zijn hart altijd die volksjongen uit Wijk C gebleven en haatte hij zichzelf omdat hij te veel tegen de hoge heren opkeek? Misschien heeft hij iedereen verslagen, behalve zichzelf.