'We hebben te weinig oog gehad voor cultuurverschil'

Rob Rooker bereikte in 2003 als een van de eerste Amerikanen Bagdad, en vertrekt 7,5 jaar later als een van de laatsten. ‘Militair hebben we ons doel bereikt.’

Kolonel Rob Rooker was een van de eerste Amerikaanse soldaten die in april 2003 Bagdad bereikte. Dat was precies eenentwintig dagen nadat hij een mansgroot gat had geknipt in het elektrische hek op de grens tussen Koeweit en Irak. Hij zat in het twintigste voertuig dat de Iraakse hoofdstad binnenrolde om half zeven in de ochtend. Hij arriveerde precies een dag eerder dan gepland. „Het was spookachtig. De stad was leeg. Mensen vragen me nog wel eens of ik heb gezien hoe dat standbeeld van Saddam werd omgetrokken. Maar ik zag dat pas toen ik weer thuis was. Het venster van mijn Humvee, dat was mijn venster op Irak.”

Met het officiële einde van Operation Iraqi Freedom vandaag komt voor Rooker niet een einde aan één oorlog, maar aan drie. Driemaal stuurde het Pentagon hem naar hier en nu, aan het einde, wil de vader van drie kinderen nog een keer terug naar het begin, en kijken door datzelfde venster. Naar de benarde en absurde momenten zoals de dag waarop hij onder vuur kwam te liggen tijdens het scheren („Daar wordt je niet op getraind.”) Of de dag waarop een soldaat zo bang was dat hij bij hem op schoot sprong. Maar er is ook – en dat komt in militaire kringen niet vaak voor – het besef van een slechte voorbereiding, en naïviteit.

„Ik weet nog hoe één van mijn collega’s naar me kwam gerend om me te melden dat er hier sjeiks op straat liepen. Zoals in Lawrence of Arabia. Ik zei: ‘ga weg’. Hij zei: ‘echt waar, ga zelf maar kijken.’”

Elk van de eenentwintig dagen op weg naar Bagdad waren met militaire precisie voorbereid. Alleen voor de tweeëntwintigste dag, de dag van de overwinning – hij zal het maar eerlijk zeggen –, waren de pagina’s blanco. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Amerika hadden ze boeken gelezen over de wederopbouw van Duitsland en Japan na de Tweede Wereldoorlog. De toekomst van Irak op een sjabloon. Rooker: „Daar stonden we dan, in Bagdad. Waar begin je? Wie bel je voor de elektriciteit, voor de riolering? Ik had geen lijst met telefoonnummers bij me van mensen die ik kon bellen. We hadden niet eens vertalers bij ons.”

Op zijn tweede missie kreeg Rooker 1,2 miljoen dollar in zijn hand gedrukt om een televisiestation op te starten in Tikrit, de geboortestad van Saddam. „Ik ben soldaat. Dat is wat ik weet, wat ik ken. En daar stond ik om me heen te kijken: Anybody here who knows something about broadcasting?.” Het jaar erna bleek een beslissend jaar. Het was het jaar waarin soennitische milities de Askariya-moskee van Samarra opbliezen, een van de heiligste plekken voor de shi’ieten. Het was het begin van de sektarische oorlog in Irak. „Ik zag het op mijn laatste dag op CNN, net voor vertrek naar de Verenigde Staten. Tot dat moment waren we nog steeds optimistisch. Nu waren de donkerste dagen aangebroken.”

Nu hoort Rooker tot een van de laatste vijftigduizend militairen die Irak de komende maanden gaan verlaten. Hij vertrekt in december. „Hadden we het beter kunnen doen?”, vraagt hij en valt even stil. „Ik vind dat moeilijk om te zeggen. Vanuit mijn standpunt hebben we het goed gedaan. We hebben het Iraakse leger vanuit niets opgebouwd. De Iraakse generaals kwamen hier op hun eerste werkdag per taxi naar toe. Ze hadden niet eens een gepantserd voertuig. Nu zijn bijna al die bases op de kaart in handen van de Irakezen. Dus militair gesproken hebben we bereikt wat we wilden. Ik laat mijn divisie straks beter achter dan toen we een jaar geleden aankwamen.” Dat is het venster van de kolonel.

In de zeveneneenhalf tussenliggende jaren doodde hij de vijand, verloor hij kameraden en maakte hij ook vrienden. Zijn Iraakse vertaler liet hij vorig jaar voor het eerst de oceaan zien, in de VS. Hij kwam in zijn beste pak. „Hij smeekt mij wel: blijf alsjeblieft.”

Rooker: „Door zijn ogen heb ik onze grootste fout in kunnen zien. We hebben te weinig oog gehad voor het cultuurverschil. De Irakezen hebben een andere beleving van tijd. Zij zijn al zevenduizend jaar hier. Vijftig jaar geleden is als de dag van gisteren. Voor ons Amerikanen werkt dat anders.”