'Topsport verbindt, dat is toch bekend'

Voor Maurits Hendriks is topsport maatschappelijk dusdanig relevant, dat grote investeringen gerechtvaardigd zijn. „Voor minder dan de toptien krijg je mij niet op de banken.”

Kom bij Maurits Hendriks niet aan met de vraag of topsport maatschappelijk relevant is. Voor de technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF is dat helemaal geen vraag, maar een feit. Hij accepteert dat er mensen anders over denken, maar moet erg zijn best doen om hen te begrijpen. Hendriks kijkt over zijn zwarte brilmontuur en zegt dan licht verongelijkt: „Dat topsport verbindt mag intussen toch als bekend worden verondersteld.”

Natuurlijk snapt Hendriks dat de wens voor een jaarlijkse investering van 200 miljoen euro in de topsport sceptisch wordt beoordeeld. Dat is veel geld, zeker in relatie tot de 50 miljoen die nu in topsport wordt gestoken. Maar die 200 miljoen is een optelsom van ambities bij Nederlandse sportbonden en die zijn vastgelegd in een rapport dat gisteren aan IOC-lid kroonprins Willem-Alexander is aangeboden. En wat is er mis met sterke ambities? Helemaal niks, vindt Hendriks. Voor topprestaties is het een voorwaarde.

Topsport doet wat met een land. Goede prestaties van Nederlandse sporters brengt een bevolking in verrukking, zie de successen van Oranje bij het WK voetbal in Zuid-Afrika. Hendriks verwijst voor de verbondenheid van een volk graag naar een foto van de karavaan Oranjesupporters op een snelweg in Zuid-Afrika. „Die stond op de voorpagina van de belangrijkste Zuid-Afrikaanse krant en lokte heel veel reacties uit. Het was het gesprek van de dag. ‘Hoe krijgt een klein land als Nederland dat voor elkaar?’, vroeg men zich af. Ik zeg je: iedere ondernemer heeft daardoor een binnenkomer in Zuid-Afrika. Dankzij sport. Als het om sportbeleving gaat heeft Nederland een grote naam opgebouwd. Dus is sport relevant.”

En topsport gaat volgens Hendriks verder dan gelukzalige momenten. Naar zijn mening willen velen in Nederland af van de middelmaat, het grijze. Stellig: „Een grote groep wil wel wat meer kleur aan de samenleving geven, die zoekt naar iets om in uit te blinken. En daar is sport bij uitstek geschikt voor. Bovendien geeft sport kinderen een kans op succes. En last but not least is sport simpelweg goed voor de gezondheid.”

Verder is er nog Hendriks' persoonlijke beleving. Als technisch directeur van NOC*NSF is het zijn taak Nederlandse sporters zo goed mogelijk te laten presteren bij de Spelen. Daarnaast is hij verslaafd aan succes. Als oud-hockeybondscoach leefde hij van de adrenaline die topprestaties teweegbrengen. „Voor minder dan een toptienpositie krijg je mij niet op de banken”, countert hij de vraag waarom een klein land zo hoog inzet.

De studie naar een positie in de toptien ziet Hendriks als een handboek, een leidraad voor de toekomst van de topsport. Nu is nauwkeurig omschreven wat er voor nodig is om medailles te winnen. De volgende stap moet naar zijn mening door de sportbonden gezet worden. Die gaan uiteindelijk het succes van de Nederlandse sport bepalen. Hendriks: „Ik pleit ervoor om op korte termijn met elkaar te bekijken hoeveel geld we voor de topsport kunnen veiligstellen. Maar dan moeten we wel de discussie aangaan en vooral eerlijk zijn als het gaat om de vraag welke sport wel of niet moet worden gefaciliteerd. Nu zijn er nog sporten waarvan de programma’s gefinancierd worden zonder dat er een afrekenmoment plaatsheeft. Daar moeten we vanaf.”

Nee, zegt Henriks nadrukkelijk, er wordt wat hem betreft niet alleen geïnvesteerd in de acht sporten – roeien, hockey, wielrennen, paardensport, judo, zeilen, zwemmen en schaatsen – die 96 procent van de medailles winnen, zoals uit de ‘studie toptien’ is gebleken. „Nederland zal zijn toptienambitie nooit op basis van die acht sporten kunnen waarmaken. Daarvoor is meer nodig. Neem turnen. Nu de mannen tegen de wereldtop aanzitten, verdienen zij ondersteuning. Er mag nooit een gesloten systeem ontstaan. Er moet ruimte blijven voor investeringen in sporters als snowboardster Nicolien Sauerbreij.”

Volgens Hendriks hoeft er evenmin te worden gevreesd voor achterstelling van de teamsporten. Een zorg die werd gevoed door Jacco Verhaeren, technisch directeur van de zwembond, die opperde dat investeringen in sporten waarin veel medailles zijn te winnen lonender zijn dat geld in een duur team te steken. Hendriks: „Dat Jacco voor zijn sport opkomt is zijn goed recht. En zijn argument is ook correct. Maar ik zal altijd voor teamsporten blijven strijden. Zwemmen levert bij de Spelen mooie momenten op, zeker. Maar het is een andere beleving dan een waterpolo- of een volleybalmedaille. Wie herinnert zich niet de gouden medaille van de volleyballers in 1996? Als land hechten we daar waarde aan. En ik zal dat verlangen altijd overeind houden.”

De eerste actie die Hendriks zal ondernemen betreft het stipendium, de basisvergoeding voor topsporters. Nog dit jaar komt hij met een voorstel bij het ministerie van VWS die regeling te differentiëren, zodat oudere sporters beter beloond worden dan beginnende. En dat de uitkeringen niet worden toegewezen na een prestatie, maar vooraf. Extra kosten: zeven miljoen euro.

Commentaar: pagina 7