Te oud

Sensationele opening gisteravond 8 uur van het NOS Journaal. „We worden steeds ouder!”, riep Sacha de Boer ons toe.

Je zou denken dat de champagneflessen op de Journaal-redactie van blijdschap spontaan ontploften, maar het bleek helemaal geen goed nieuws te zijn. „Opnieuw probleem voor pensioenfondsen”, zei Sacha. Er kwam een sombere verslaggever in beeld, die samen met enkele hevig verontruste vertegenwoordigers uit de pensioenfondsenwereld de nadelen in kaart bracht.

Wat bleek? We worden wel ouder, maar hebben er al die tijd veel te weinig voor betaald. Bestraffend werd gewezen op verpleegsters – waarom verpleegsters? – die hun pensioen maar zeer ten dele zelf hebben betaald. Nooit geweten. Die vrouwen staan maar steeds te frunniken aan ons doodsbed, maar zelf behoorlijk meebetalen van hun loontje – niks hoor. Dat kan zo niet langer, liet een vertegenwoordiger van de pensioenfondsen weten. Ze zijn daar wel goed, maar niet gek, zoals ze ons al lieten merken met die dreiging van korting op onze pensioencentjes. Ze beginnen de pest aan ons te krijgen, die pensioenfondsen. Wij blijven maar leven en zij kunnen ervoor opdraaien. Wat denken we wel? Dat de levensbomen tot in de hemel groeien?

Er zijn drie opties, dicteerde de pensioenfondsenman: langer werken, lagere uitkering of hogere premie betalen.

Dodelijk (daar ga je bijna al) ongerust belde ik vanmorgen meteen met de directeur van mijn eigen pensioenfonds. Het was een hele uitputtingsslag om hem aan de telefoon te krijgen. „Zeker weer zo’n ouwe zeikerd”, hoorde ik hem tegen zijn secretaresse brommen.

„Wat zijn jullie nou precies met ons van plan?” vroeg ik hem.

„Ben je al met pensioen?” vroeg hij geprikkeld.

„Nog niet.”

„Nou, wacht daar dan zo lang mogelijk mee. Doorwerken tot je erbij neervalt – dat is het beste. Zo lang mogelijk zoveel mogelijk premie betalen, daar gaat het ons om.”

„Maar ik heb al tientallen jaren premie betaald.”

„Nou én? Jullie willen allemaal vanaf je zestigste fluitend op je krent voor de geraniums zitten, maar daar zij wij niet voor. Het zal érgens van betaald moeten worden, en zeker nu jullie ook nog eens zo akelig oud beginnen te worden.”

„Kunnen wij daar wat aan doen?”

„Dat kunnen jullie zeker. Hou eerst eens op met al dat zogenaamde gezonde leven. Bewegen, niet roken, mager eten – al die flauwe kul waar jullie alleen maar gerimpelde ouwe besjes van worden die veel te lang blijven dooretteren. Wat kopen we ervoor dat dit kleine landje dichtslibt met grijsaards achter rollators die ze nog niet eens zelf willen betalen? Hoe kun je op zo’n manier als natie nog enige dynamiek uitstralen?”

Ik wierp tegen dat het nuttig kan zijn als een eventueel stokoude generatie haar levenservaring kan doorgeven, maar hij kon er alleen maar hard om lachen. „Kom je wel eens in een verpleeghuis?” Om er even later ernstiger op te laten volgen: „Niet jullie moeten oud worden, maar het pensioenfonds. Nee, er zal echt iets moeten gebeuren.”

„Wat bedoelt u precies?”

Hij liet zijn stem voor het eerst dalen. „Over de aard van de maatregelen kan ik nog geen mededelingen doen. Maar ze zullen drastisch zijn, zéér drastisch, neem dat maar van mij aan. We kunnen toch moeilijk allemaal 100 jaar worden, vind je ook niet?”