Sportland Nederland

Nederland moet bij topsport streven naar een plaats in de internationale toptien. Om die wens in vervulling te doen gaan, zal het budget op termijn met meer dan een factor vier omhoog moeten tot tegen de 200 miljoen euro per jaar. Dat is de doelstelling die is verwoord in een rapport dat in opdracht van sportkoepel NOC*NSF is opgesteld.

Het breed beoefenen van sport in de samenleving is het nastreven waard met het oog op de de volksgezondheid. Het stimuleren van de breedtesport mag dan ook worden gezien als een overheidstaak. Maar het is de vraag of de Staat, zoals impliciet bedoeld in het rapport, ook extra moet gaan bijdragen aan de topsport. De sportorganisatie motiveert haar doelstelling door de nadruk te leggen op topsport als factor bij het voelen van nationale trots, eenheid en identiteit. Nederlanders zouden volgens haar onderzoek meer hechten aan Nederlands succes in de sport dan aan een evenredig resultaat in wetenschap, cultuur of economie. Meer dan de helft van de bevolking zou zijn of haar kinderen stimuleren een carrière in de topsport na te streven.

Als deze cijfers al kloppen, dan onderstrepen zij dat de rol van passieve sportbeoefening in de samenleving op zijn minst al groot genoeg is. Kennelijk vindt de Nederlander een gouden plak aan de ringen belangrijker dan een Nobelprijs en een groep jongemannen die wereldkampioen volleybal wordt belangrijker dan jonge ondernemers die met een nieuwe zoekmachine Google naar de kroon steken.

Het stimuleren van een topsportcarrière voor het eigen kind is een riskante opvoedingsstrategie. Het hele idee van topsport impliceert dat slechts een miniem percentage slaagt. De rest slijt zijn jeugd succesloos in een overdekt zwembad of turnzaal.

Het streven naar een plaats in de wereldwijde toptien zal bovendien lastig worden. Niet alleen zal daarvoor een sprint moeten worden getrokken in het huidige veld van concurrerende naties, het valt te verwachten dat met de opkomst van nieuwe welvarende staten in de wereldeconomie de competitie alleen maar moeilijker wordt. De kans dat Nederland, met 2,5 promille van de wereldbevolking, in 2028 tot de tien grootste medaillewinnaars behoort op de Olympische Spelen, is zeer klein.

Of in de recente prestaties van Nederland een neergaande lijn te bespeuren valt die nodig moet worden omgebogen, is moeilijk te zeggen. De recente variatie bij de olympische medailleoogst is voor veel meer dan de helft toe te schrijven aan het succes of uitblijven daarvan bij het zwemmen, dat de hebbelijkheid heeft eens in de zoveel tijd kampioenen voort te brengen die rijk putten uit de uitbundige hoeveelheid medailles die in deze discipline te behalen zijn.

Maar bovenal: is het een overheidstaak om bij te dragen aan een verviervoudiging van het budget van de topsport? Er gaat al flink wat gemeenschapsgeld naartoe. Topsport is een particuliere bezigheid bij uitstek, waar bovendien steeds meer particulier geld in omgaat. Deze sector moet zijn eigen broek kunnen ophouden.