Islamkritiek is nog geen etnische politiek

Geert Wilders geeft aan zijn islamkritiek een etnische draai, die verwerpelijk is. Maar dat maakt niet al zijn islamkritiek onzinnig, aldus Meindert Fennema, biograaf van Wilders.

Aan de vooravond van de verkiezingen op 9 juni stonden in de Amsterdamse stadsschouwburg van Amsterdam de Kamerleden Boris van der Ham (D66) en Martijn van Dam (PvdA) tegenover elkaar in de boksring die in de bovenzaal opgetrokken was. Zij zouden gaan debatteren over de vrijheid van meningsuiting. Dat onderwerp had natuurlijk een bijzondere urgentie in verband met het proces tegen Wilders, die overigens schitterde door afwezigheid. Tot mijn verbazing kondigde Van der Ham aan dat het debat tussen hem en Van Dam níét over de vrijheid van meningsuiting zou gaan. Van Dam en hij hadden daarover namelijk precies dezelfde mening, zei hij: zij waren allebei voor de vrijheid van meningsuiting, behoudens natuurlijk haatzaaien. De twee Kamerleden hadden in goed overleg besloten om te gaan debatteren over een sociaal-economisch onderwerp en de debatleider leek zich daar in te schikken.

Verbolgen over deze gang van zaken vroeg ik Van der Ham wat hij dan vond van het proces tegen Wilders en zei hem dat nu juist het haatzaai-artikel aanleiding had gegeven tot jurisprudentie waar over een debat toch wel wenselijk was. Mij was in ieder geval opgevallen dat juist D66 vaak níét opkwam voor het vrije woord als het ging om vermeend racisme of om anti-islamstandpunten. Na afloop sprak ik Van der Ham in de kamer waar de sprekers zich verzameld hadden nogmaals aan en wees hem er op dat de rechterlijke macht, die in de tijd van Janmaat het haatzaai-artikel veelvuldig had toegepast om uitspraken te verbieden die tegenwoordig gewoon in het VVD-programma staan, meer dan proportioneel uit D66’ers bestaat. Dat had ik niet moeten doen: Van der Ham liep rood aan van woede en beet me toe dat ik Wildersstandpunten verkondigde en te vaak De Telegraaf las.

Ik was mij er niet van bewust dat ik Wildersstandpunten verkondigde, ook al onderschrijf ik een deel van zijn islamkritiek. Maar Wilders geeft aan zijn islamkritiek een etnische draai, die ik verwerpelijk vind. ‘Niet voor Ali en Fatima, maar voor Henk en Ingrid’: zo presenteerde Wilders zijn laatste verkiezingsprogramma. En zo gaat godsdienstkritiek over in etnische politiek. Dáárover zou de discussie moeten gaan en in dat licht is onze anti-racisme-wetgeving volstrekt achterhaald, zoals ik heb proberen aan te tonen in mijn Wildersbiografie die vandaag verschijnt. Maar een discussie daarover durven politici niet te voeren.

Hoe komt het toch dat verstandige en vriendelijke politici volkomen van slag raken als het gaat om etnische verhoudingen? Hoe komt het dat problemen die voortvloeien uit het gedwongen samenleven van verschillende bevolkingsgroepen zo moeilijk bespreekbaar zijn? Waarom wil niemand zich verplaatsen in een politicus als Wilders wiens privéleven vernietigd is door radicale moslims?

In de periode dat ik de biografie van Wilders schreef, heb ik daar veel over nagedacht. De sleutel van het raadsel lijkt mij te liggen in het antwoord dat men geeft op de vraag wie de slachtoffers zijn van de slechtheid in de wereld. Veel linkse intellectuelen zoeken die slechtheid in zichzelf, maar externaliseren dat onmiddellijk weer door ‘het systeem’ daarvan de schuld te geven. Het ultieme slachtoffer van dat systeem is de vreemdeling die huis en haard heeft moeten verlaten om in het land van vestiging geconfronteerd te worden met racisme en discriminatie. Bolkestein heeft dat ooit ‘de mythe van de Goede Vreemdeling’ genoemd.

Het oude anti-kapitalisme is bij progressieve intellectuelen vervangen door postmoderne anti-globaliseringsretoriek, maar ten diepste zijn vijand en slachtoffer dezelfde gebleven. Men haatte Hirsi Ali omdat zij zich niet als slachtoffer zag van het racistische Westen, maar van de barbaarse moslimcultuur in Afrika. Dat had zij nooit mogen doen. Migranten horen boos te zijn op ons, niet op hun ouders en grootouders.

Sommige intellectuelen proberen het verdriet van de globalisering buiten de deur te houden door geen televisie te kijken of op het Franse platteland te gaan wonen. Voor diezelfde intellectuelen is nationalisme ook weer taboe. Zij zijn vóór Europa en ook vóór de multiculturele samenleving.

Tot voor kort kon men dit onsamenhangende discours in stand houden door het problematiseren van cultuurverschillen en de eis van assimilatie buiten de wet te verklaren, maar sinds 11 september 2001 is dat minder makkelijk geworden.

Wilders schiet nu gaten in het progressieve discours en het enige antwoord is heilige verontwaardiging. Dat hij het opneemt voor de slachtoffers van een godsdienst die in haar cultuur nog zoveel barbaarse trekken heeft, is racistisch. Dat hij als rechtse politicus de vrouwen-, homo- en jodenhaat in die cultuur aan de kaak stelt, is hypocriet. Dat hij de Koran vergelijkt met Mein Kampf en Obama met Chamberlain, is schandelijk. Het is allemaal even onverdraaglijk voor de progressieve Van der Ham, die deep down ook wel weet dat hij als homo meer te vrezen heeft van de islam dan van Wilders.

Meindert Fennema is hoogleraar politieke theorie en etnische verhoudingen.aan de UvA.