Irak moet het nu zelf gaan doen

De gevechtsmissie in Irak eindigt vandaag. De Amerikanen blijven officieel alleen om Irakezen te trainen. „De milities zullen terugkomen.”

De wachten aan de poort van de grootste legerbasis in het Midden-Oosten vervelen zich. In de zinderende zomerhitte gooien de Amerikaanse soldaten ijsklontjes naar hun Iraakse collega’s, bij gebrek aan een beter gevecht. „He jij”, roept de Amerikaan, stompt de Irakees in de maag en mompelt dan iets dat Engels noch Arabisch is. „Wat zegt-ie nou”, vraagt de Irakees aan een landgenoot die net als hij de wacht deelt met de Amerikanen. Zijn landgenoot haalt zijn schouders op. Geen idee.

Vanaf morgen is dit op alle legerbases in Irak het beeld. Amerikaanse en Iraakse soldaten zij aan zij. 7,5 jaar nadat de eerste Amerikaanse soldaten de grens met Koeweit overstaken en in eenentwintig dagen het toenmalige Iraakse leger omverliepen, is de Amerikaanse gevechtsmissie officieel ten einde. Operation Iraqi Freedom wordt Operation New Dawn. Vicepresident Joe Biden arriveerde gisteren in Bagdad voor de machtsoverdracht.

Op papier betekent dit dat de resterende vijftigduizend Amerikaanse militairen in Irak vanaf nu niet meer uit eigen beweging gaan vechten, maar alleen op verzoek van het Iraakse leger. De vraag is hoe vaak de Irakezen een beroep gaan doen op de achterblijvende Amerikanen, gelet op de pogingen van extremisten om opnieuw chaos te creëren. Officieel wordt de gevechtsmissie een missie van training en assistentie, aldus het Pentagon. In de praktijk betekent het dat de Amerikanen tot hun definitieve vertrek in december 2011 vooral onder een nieuw etiket operen. Ze dragen dezelfde wapens, dezelfde pakken en staan nog steeds aan dezelfde gevaren bloot. Vier dagen nadat de laatste gevechtstroepen anderhalve week geleden de grens met Koeweit overstaken, doodde in Basra een raket een Amerikaanse soldaat.

Camp Victory staat nu in het teken van vertrek. Achter de rug van de soldaten vertrekken vanaf Baghdad International Airport reusachtige vrachtvliegtuigen naar veiliger oorden. „Alles wat ik straks meeneem is mijn scheermes en mijn laptop”, zegt een Amerikaanse soldaat. „Travel light, move fast.” 120.000 soldaten gingen hem al voor. Veertigduizend voertuigen. 1,25 miljard dollar aan materieel. Allemaal naar huis.

In 2003 werd pal naast het vliegveld een gigantisch complex uit de grond gestampt rond het Al Faw Paleis, Saddam Husseins geliefde paleis aan het water. Achter de betonnen muren verrees een klein Amerika, compleet met supermarkten als de Blackhawk Mall, bowlingbaan en honkbalvelden, een Pizzahut en een graaiwinkel met de laatste snufjes op gebied van audio en video.

Vervolg Irak: pagina 4

Militairen Irak vrezen meer geweld

Het enorme complex naast het vliegveld in Bagdad is nu niet alleen het thuis van de Amerikanen maar ook van ingehuurde soldaten uit alle delen van de wereld en van het Iraakse leger. Nergens blijkt duidelijker de botsing van de culturen en het wederzijdse onbegrip over elkaars motieven.

Neem het kamp van de ‘Advice and Assist Brigade’ van de Bravo Compagnie, Taskforce 7, een van de zes brigades die achterblijven voor het trainen van de Irakezen. Hier delen Amerikanen en Irakezen dezelfde basis. De Amerikanen links, de Irakezen rechts, uit elkaar gehouden door een slagboom. Links zwaait de Amerikaanse vlag, rechts de Iraakse. Links beginnen de Amerikaanse soldaten rond het middaguur aan de lunch, rechts is geen teken van leven te bekennen. De Irakezen doen het tijdens de ramadan rustig aan.

Alleen in het gezamenlijke commandocentrum komen ze elkaar tegen. Hier turen Amerikanen en Irakezen naar manshoge videoschermen waarop de beelden worden getoond van de zeppelin die boven de hoofdstad hangt. Daar legt kapitein Michael Breaux uit wat in die zeveneneenhalf jaar allemaal is bereikt. Nergens ter wereld werd in zo’n korte tijd een leger uit de grond gestampt. Hij bedoelt het Iraakse. „En we hebben ze in zes maanden klaargestoomd voor het digitale tijdperk.”

Kapitein Breaux gelooft in de maakbaarheid van Irak. De verkiezingen van afgelopen maart zijn wat hem betreft het belangrijkste bewijs. De Irakezen gingen stemmen. Hun stemmen zijn geteld, en herteld. De eerste stap naar democratie is gezet. „Ik zeg altijd: jullie doen hier grootse dingen. En wij zijn er alleen maar om er voor te zorgen dat jullie nog grootsere dingen doen.”

Zijn Iraakse collega’s zijn bezorgd. Ze hebben gestemd, maar er is nog altijd geen regering. De Amerikanen gaan weg, maar de zelfmoordaanslagen blijven. „Dit is het verkeerde moment om weg te gaan”, zegt soldaat Haider. „Ze moeten ten minste tot 2020 blijven. De milities zullen terugkomen. Zij zeggen dat we er klaar voor zijn, maar dat zijn we niet.” Zijn baan in het commandocentrum verzwijgt Haider voor vrienden en familie. Buiten de hoge muren rond Camp Victory vertelt hij dat hij in een ziekenhuis werkt. De waarheid is daar te gevaarlijk.

Op het bureau van de Irakezen staat een oude legerradio. Daarmee houden ze contact met het hoofdkwartier. De Amerikaanse kapitein Breaux moet gniffelen om het museumstuk tussen al zijn hightech. „Hun communicatiesystemen zijn natuurlijk niet zo veilig als de onze. Daarom kunnen we ook niet alle informatie met elkaar delen.” Hij schrikt van zijn eigen woorden. Dat had hij beter niet kunnen zeggen. Hij verbetert: „Als je ziet wat we nu met de Irakezen delen vergeleken met een jaar geleden, dan hebben we enorme vooruitgang gemaakt. We hebben gedaan wat we konden. Irak is er klaar voor. Zo zie ik het.”

Soldaat Haider verstaat niet wat Breaux zegt. Hij wil alleen maar dit zeggen, in het Arabisch. „Zij gaan. Wij blijven. Alles zal slechter worden. Ik ben bang voor mezelf en iedereen om me heen.” Kapitein Breaux knikt, ook al heeft hij niet verstaan wat net gezegd is. „Dat bedoel ik. Ze zijn er klaar voor.”