Internationale geschiedenis is uit

Is de nationale oriëntatie van de geschiedenis passé? Een congres voor en van historici in Amsterdam wakkerde daarover een internationaal debat aan.

In Nederland, maar ook in veel andere landen, is de historische blik het afgelopen decennium steeds meer naar binnen gekeerd. Internationale geschiedenis is uit. Met het organiseren van een congres voor geschiedswetenschappers gaat Pim den Boer „heel graag” tegen die trend in. Afgelopen week verwelkomde Amsterdam zo’n tweeduizend „lucide geesten” uit alle werelddelen voor het vijfjaarlijkse congres van de International Committee of Historical Sciences.

„Al dat eigen volk eerst, een geschiedeniscanon en een nationaal historisch museum komen voort uit een politieke wens”, zegt Den Boer, zelf hoogleraar Europese cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Met het organiseren van dit congres toont hij zijn ambitie het fenomeen global history te doen herleven.

Toch gingen de bijeenkomsten gewijd aan geschiedenisonderwijs vrijwel uitsluitend over de vorming van nationale identiteit en inkapseling van cultureel erfgoed: dé trend van de afgelopen jaren. Al gebeurde dat aan de hand van voorbeelden uit de hele wereld.

Historici van Canada tot Finland en van Polen tot Zuid-Afrika vertelden over hun empirisch onderzoek naar de beleving van leraren en leerlingen over controversiële onderwerpen. Stephan Klein, die afgelopen woensdag in een broeierig zaaltje van de UvA een presentatie gaf over zijn onderzoek naar hoe leraren omgaan met de toegenomen aandacht voor het slavernijverleden op Nederlandse middelbare scholen, ziet het congres als een plek om zich „niet blind te staren op de eigen geschiedenis”. Maar op scholen lijkt die focus onvermijdelijk.

‘Vaderlandse geschiedenis’ werd in de negentiende eeuw in het leven geroepen om de identiteit van burgers te vormen en te koppelen aan de opkomende natiestaten. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd de natie als bindende factor voor het collectieve geheugen afgeschreven. „De huidige memory boom of heritage turn is daar een reactie op”, zegt Klein. „Maar de publieke behoefte naar verbintenis met het verleden heeft zich grotendeels buiten de academische discipline afgespeeld. Het is nu aan historici zich daarop te beraden”, aldus Klein.

Het congres in Amsterdam was heel theoretisch en filosofisch van karakter. Naast uiteenzettingen over het begrip tijd en het gevaar om met de kennis van het heden morele oordelen te vellen over het verleden, spraken de historici hun zorgen uit over het gebrek aan historisch denken op scholen. Veel wetenschappers lijken het gevoel te hebben dat hun vak wordt gegijzeld door docenten die er te weinig van begrijpen en door politici die zich er te veel mee bemoeien.

Toch erkennen ze dat het vak zich moet aanpassen aan de veranderende samenleving, aan multiculturele klassen vol leerlingen die hun kennis verzamelen op internet. De vraag is of het daarin te ver kan gaan. Johan Wasserman van de universiteit van de Zuid-Afrikaanse provincie KwaZulu-Natal ziet de gevolgen van de ommezwaai in het historisch onderwijs. „Ik heb geen blanke meer in de klas. Die willen geen geschiedenis studeren, dan moeten zij zichzelf er altijd voor verantwoorden.”

In het Zuid-Afrika van na de apartheid lijkt alleen plaats voor het narratief van de overwinnaar. Daardoor voelen anderen zich buitengesloten. Dat is precies waarom hoogleraar Pim den Boer een uniform canon en erfgoedverheerlijking verfoeit. „In de verwarring der tijden zoekt men zekerheid in identiteitsclaims, maar de term erfgoed zegt in feite: dit is van mij, dus niet van jou.” Daarmee schept het dezelfde vijandbeelden die voor en tussen de wereldoorlogen in de geschiedenis werden gecreëerd.

Klein, die aan de Erasmus Universiteit onderzoek doet naar erfgoededucatie, ziet deze ontwikkeling juist als een uitstekende manier om te komen tot gemeenschappelijke historische kennis die recht doet aan verschillende perspectieven. Bijvoorbeeld door leerlingen kennis te laten maken met de verhalen uit de tijd van de slavernij en met de monumenten die daarvoor nu worden opgericht.

Maar je moet de historici ook weer niet te veel macht toeschrijven, zeiden ze op het congres in Amsterdam. Nationale politici kunnen een uniforme, vaderlandse visie voorschrijven, historische wetenschappers kunnen zich er aan ergeren, „maar echt onderwijs vindt plaats in de klas”, aldus Klein. En de docenten om wie het gaat waren niet bij dit wetenschappelijke congres betrokken.