Ik verlang altijd vage dingen

Ach, die dweperij van Couperus met zijn vriend Orlando die zo geweldig lui kan zijn. Het is heerlijk en tragisch tegelijkertijd, want Couperus zelf – zoals hij zich in zijn feuilletons presenteert – is een altoos onrustige, nerveuze geest, die wel lui zou willen zijn, maar er gewoonweg niet in slaagt op te gaan in het nietsdoen. Iets in hem blijft vragen: wat gaan we doen, zo meteen, straks, nog later? Dwepend kijkt hij naar Orlando, die na het zwemmen genietend uitkijkt over zee en hij vraagt zich af: „En ik? Waarom kan ik niet zo zijn? Is voor mij alles niet hetzelfde als voor hem? Is de lucht voor mij niet ver en blauw, om in te staren en in weg te dromen? Is het zand voor mij niet mul en blond en weldadig warm, en droog als met goudene korrelen?” Maar het gaat niet. Couperus, ‘Gigi’ genoemd door zijn vriend Orlando, vindt het zeewater plakkerig en het zand kriebelig en als hij probeert rustig te liggen, denkt hij onweerstaanbaar aan het ontbijt met „geurige thee, gulden broodjes, geitenboter en gouden honing”. Veel g’s, je kunt zien dat hierover is nagedacht. Couperus blijft altijd een schrijver, het gaat hem om elegante en amusante stukken, bepaald niet om biografische informatie. Maar wel, hier, om het peilen van de onrust, zijn eigen onrust die hij verafschuwt maar waaraan hij moet gehoorzamen als aan een dwingend huisdier.

‘De lof der luiheid’ heet het stuk, maar het gaat eerder over het verlangen naar luiheid, of meer nog over het verlangen te leven-zonder-meer in plaats van altijd te verlangen naar iets onbepaalds. Orlando zegt eenvoudigweg:

„Ik doe wat ik doen moet. Ik heb gezwommen. Ik ben naar mijn pachter geweest. Ik heb met mijn halters gewerkt.”

„En verder?”

„Verder is er niets. Ik lig. Ik rust. Ik leef.”

Dat kan de schrijver niet:

„Ik, Orlando, verveel me altijd. Ik ben vol ideeën, vol plannen, ik schrijf boeken en ik verveel me altijd. Ik reis, ik zie allerlei mooie dingen van kunst waar ik dol op ben en ik verveel mij altijd. Altijd. Ik verlang altijd vage dingen. Verlang jij nooit vage dingen?”

Nee, dat doet Orlando niet. Dat is een gezond echt levend mens, niet zo’n gekwelde ziel.

Couperus is goed te begrijpen, met die onrustige verveling, dat hoort denk ik bij echt willen werken maar het niet doen, iets van jezelf verwachten en tekortschieten. Ik veronderstel zomaar dat Couperus – we doen even of dit een oprecht zelfportret is – zich helemaal niet verveelde als hij aan het schrijven was, dit verrukkelijke stuk bijvoorbeeld.

En misschien verveelde hij zich ook wel niet als hij ontbeet.

Schil de nectarines, snijd ze in tweeën en ontpit ze.

Doe de suiker en een deciliter water in een pan en breng aan de kook, laat 7 minuten pruttelen. Doe de nectarines erin en laat ze 10 minuten pocheren.

Haal vier nectarinehelften uit de siroop en houd 2 eetlepels siroop apart. Kook de andere nectarines tot ze heel zacht zijn en er geen vocht meer over is. Maal of stamp ze tot moes.

Verdun in een pannetje op laag vuur de abrikozenjam met de twee bewaarde eetlepels siroop. Rooster de amandelen in een koekenpan lichtbruin. Rooster de sneetjes witbrood en besmeer ze met boter. Doe er de nectarinemoes op. Leg op elk sneetje een halve nectarine, besprenkel die met wat marmelade en strooi er de geroosterde amandelen over.