Het leven op een boerderij

Ik zit erover na te denken om weg te gaan”, zegt hij. „Mijn baan opzeggen, mijn huis verhuren. En dan gewoon gaan.” Ik zit in een café met een vriend. Hij is zijn Into the Wild-achtige vluchtplannen uit de doeken aan het doen. „Er is een organisatie die regelt dat je ergens op een boerderij

Ik zit erover na te denken om weg te gaan”, zegt hij. „Mijn baan opzeggen, mijn huis verhuren. En dan gewoon gaan.” Ik zit in een café met een vriend. Hij is zijn Into the Wild-achtige vluchtplannen uit de doeken aan het doen. „Er is een organisatie die regelt dat je ergens op een boerderij kan gaan werken. Een kennis van me heeft dat ook gedaan, hij heeft alles achtergelaten en is via die organisatie naar een boerderij in Canada gegaan. Hij werkte alleen voor kost en inwoning. Dat wil ik ook. Een overzichtelijk leven, waar je hard werkt en precies weet wat er van je verwacht wordt. Het lijkt me zo… rustig.” De vriend is al de derde die uit het niets over boerderijen begint. Mijn omgeving lijkt in de ban te zijn van een ander leven, waar je dag gedicteerd wordt door de stand van de zon en je enige deadline iets met hooibalen of knappende uiers te maken heeft.

Ik dacht altijd dat een burn-out iets was voor topmanagers van middelbare leeftijd, mannen die omstebeurt in drie verschillende telefoons schreeuwen, hun secretaresse een cadeau laten kopen voor hun kinderen en drie schone pakken op kantoor bewaren, voor als ze de nacht hebben doorgewerkt. Die op een dag doorslaan en dan dagenlang moeten huilen.

Ik ken inmiddels vijf mensen van mijn leeftijd (midden twintig) die een burn-out hebben of hebben gehad. Natuurlijk verschillen hun verhalen, maar ze lijken ook allemaal eenzelfde kern te raken: het streven naar ultieme controle over je eigen leven, teneinde het perfect te maken. Een geweldig leven is maakbaar en altijd binnen handbereik, je bent verantwoordelijk voor je eigen geluk. Je moet alle kansen (we praten liever over uitdagingen) benutten.

Ik had mezelf altijd voorgenomen om nooit op de vraag „hoe is het?” te antwoorden met „ja, wat zal ik zeggen. Druk hè.” Ik vond dat zo’n treurig antwoord. Alsof je de uitgebluste sloof van je eigen leven bent. Maar ik betrap mezelf erop, ik doe het ook. En ik blader naarstig in mijn agenda, terwijl ik weekenden voorstel die nog weken ver weg zijn. Zaterdag las ik in de column van Robbert Dijkgraaf dat vlijtig multitasken ook nog eens een illusie is: door de vele prikkels verslapt je aandacht en gaat de kwaliteit achteruit.

Blijkbaar weten we niet wat we kunnen afzeggen, er is geen tandje-minder-plan. Een tandje minder lijkt te betekenen: iets minder goed, iets minder gelukkig. Wie kiest daarvoor? We metselen vakkundig ons leven vol en gaan vervolgens verlangen naar het leven op een boerderij.

De vriend in het café zei daarna: „Waarschijnlijk zou ik naar zo’n boerderij nog mijn iPhone meenemen ook.”