De instorting van de mijn leek het einde van de wereld

De brieven die Marta Salinas van haar man krijgt, zijn inktzwart. Kompel en paramedicus Jonni Berrios heeft het zwaar op 700 meter diepte. Ook zijn minnares is bezorgd.

Philip de Wit

Ik wil hier uit, zo snel mogelijk. Dood of levend.” Het waren deze woorden die de vrouw van Jonni Berrios (52), een van de ingesloten Chileense mijnwerkers, zo van haar stuk brachten. Niets van optimisme. Geen sprankje hoop. Opgeschreven in zijn eerste brief aan haar. Daags nadat hij en de 32 andere mijnwerkers gevonden waren, 700 meter onder de grond.

Marta Salinas, de vrouw van Berrios, zit op een plastic stoeltje op het terrein van de goud- en kopermijn San José, waar de kompels sinds 5 augustus onder de grond vastzitten. Achter haar staat een soort altaar voor haar man, met foto’s en teksten over hoop.

„Hij is heel depressief”, vertelt ze. De eerste dagen na het instorten van de mijn omschrijft Berrios in zijn eerste brief als „het einde van de wereld”. Internationale media hebben Berrios sindsdien omschreven als de paramedicus die onder de grond als een redder in nood opereert.

Salinas zegt: „Bijna alle mijnwerkers zijn gedeprimeerd, zeker nu ze weten dat het eindeloos kan duren, maar dat verhaal wordt niet naar buiten gebracht.” Aanvankelijk leek het boren van een tunnel als vluchtweg drie tot vier maanden te gaan duren, met een nieuwe methode kan het mogelijk in zo’n twee maanden.

Afgelopen vrijdag heeft ze weer een brief gekregen van haar man. Salinas laat de brief lezen. Berrios verzoekt haar zijn documenten en geld op te halen die het mijnbedrijf nog in bezit heeft. „Voor het geval dat hij er niet uitkomt”, zegt zij. Opnieuw herhaalt Berrios dat hij depressief is.

Salinas is nerveus. Haar schoonbroer heeft al een keer via een lange telefoonlijn met haar man kunnen spreken. Vandaag is zijzelf aan de beurt. Haar voornemens: niet huilen, niet neerslachtig klinken. Vertrouwen in de toekomst moet ze uitspreken, hoewel ze zich zorgen maakt. Mocht hij er uit komen, zo weet zij zeker, dan zal hij nooit meer dezelfde zijn. „Wellicht is hij geestesziek en zal hij hulp nodig hebben.”

Dan verandert ze ineens van onderwerp. „Mijn mans minnares is hier ook geweest, maar zij mag niet met hem praten omdat ze niet met hem getrouwd is. Ik vind het triest voor haar”, zegt Salinas. Ze vertelt het alsof het doodnormaal is wat ze zegt.

Veel mijnwerkers leven als nomaden, trekken van mijn naar mijn, in de verschillende regio’s van het land. De familie blijft meestal achter. Salinas haalt haar schouders op en zegt: „Alle mijnwerkers hebben minnaressen, dat krijg je met dit leven. Mijn man doet dit werk al 25 jaar.”

De San José-mijn, op drie kwartier rijden van de noordelijke stad Copiacó, ligt in een afgelegen woestijngebied, waar kale bergen bedekt onder lagen zand het landschap domineren. Het terrein is omgedoopt in kamp Hoop en wordt bewaakt door de lokale politie. In de centrale eettent staan beelden van religieuze figuren, onder wie de heilige Maria. Een van de heiligenbeelden heeft een mijnwerkershelm op. In zijn rechterhand houdt hij een lamp vast, in zijn linker een ketting met een kruis eraan.

Voor deze tent geven twee clowns met helmen op een optreden voor de aanwezige mijnwerkers. De grappen gaan over vreemdgaan. De mannen bulderen van het lachen.

Kamp Hoop is ook een beetje een mediacircus geworden. Honderden journalisten uit de hele wereld lopen er rond, daarmee de families van de 33 getroffen kompels in getal ruim overtreffend. Grote wagens met schotels staan er geparkeerd. Op veel plekken staan camera’s opgesteld.

De Chileense overheid dirigeert zorgvuldig alle informatieverspreiding. Het gedeelte van de mijn waar reddingswerkers, psychologen en artsen aan het werk zijn, waar direct contact is met de ingesloten kompels, is afgeschermd van de rest van het terrein. Eventueel nieuws over het wel en wee van de mijnwerkers wordt door overheidsfunctionarissen bekendgemaakt.

Voor de familieleden is er een speciale hoek, met tenten en toiletten, eveneens afgescheiden van de rest, omheind door een hek en bewaakt door agenten. Dat is onder meer het werkterrein van Eliana Estay, een directrice van het Chileense Rode Kruis. Zij is er vooral om de families te steunen.

Die hadden het aanvankelijk heel zwaar, maar nu de mannen zijn gevonden, hebben de meeste familieleden, volgens Estay, er weer vertrouwen in. „Het is wel lastig voor ze dat de mannen minder opgewekt zijn”, zegt ze. „Die zitten in een andere situatie. Het baart de mensen zorgen. De vrouwen proberen hier in hun tenten te leven zoals ze dat thuis ook gewend zijn. De vraag is of ze dat tot vier maanden volhouden.”

Helen Avalos, vrouw van de ingesloten kompel Jimmy Sanchez, is overtuigd dat zij wel zo lang op haar man kan wachten. Sanchez is de benjamin van de groep mijnwerkers. Hij is 19 jaar, zijn vrouw 17. Avalos zit in de zon, terwijl haar ze dochter van twee maanden borstvoeding geeft. Op het altaar achter haar stoel prijkt een foto van haar man.

„Het is moeilijk”, zegt Avalos tijdens het voeden. „Maar Jimmy is wel optimistisch. Hij is nog jong. De anderen zijn oud. Hij heeft net een dochter gekregen. Reden genoeg voor hem om er uit te komen, levend, ook al moet hij daarvoor maandenlang onder de grond zitten.”