Samen in de eeuwige lucht van een Tibetaans klooster

Deze zomer reizen onze correspondenten langs een grens – een echte, een historische of een denkbeeldige. Vandaag de laatste aflevering: de Chinese provincie Qinghai.

De grens die Wang Juan (32) en Regezang (24) zijn overgestoken, staat op geen enkele kaart en toch weet iedere Han-Chinees en Tibetaan van het bestaan van deze scheidslijn af, een van de vele die het onmetelijke China doorkruist.

Slechts weinig Han-Chinezen en Tibetanen zullen het voorbeeld van deze geliefden volgen. In ieder geval kent zij niemand, die, zoals zij, een zomerliefde zag uitgroeien tot een vaste relatie met een Tibetaanse man. Hij weet alleen van een van de vele zusters van zijn grootvader aan moederskant die getrouwd was met een Chinese man die verbannen was naar de westelijke provincie Qinghai, de provincie met woeste bergen, schuimende rivieren en talrijke gevangenissen.

„Het is inderdaad zeer uitzonderlijk en daardoor behoorlijk gecompliceerd”, vertelt de journaliste Wang Juan tijdens een urenlange wandeling door het Longwu-klooster in Tongren, waar een van de belangrijkste Tibetaansboeddhistische tempels van de Orde van de Gele Hoed staat.

Het is voor haar de tweede keer dat zij het 700 jaar oude klooster bezoekt, de eerste keer was in 2008 toen ook hier in Qinghai de monniken botsten met de Han-Chinese autoriteiten. Voor Regezang is het de eerste keer. Niet verwonderlijk voor een Tibetaanse jongen die van jongs af aan, en tot vervelens toe, de tempels in zijn geboortestad Xining moest bezoeken.

Op het eerste oog onderscheiden Wang Juan en Regezang zich niet van de andere Chinese rugzaktoeristen die door de stegen van gedroogde modder van tempel naar tempel slenteren. Zij fotograferen de portretten van de dalai lama die weer openlijk bij de vergulde godsbeelden zijn geplaatst en snuiven de eeuwige lucht van smeltende yakboterkaarsen, zweet en wierook op.

De stilte wordt zo nu en dan verstoord door de mobiele telefoons van de monniken en de af en aanrijdende Toyota Landcruiser van het niet onbemiddelde Longwu-klooster. Voor Regezang – Tibetanen gebruiken maar één naam – is het nieuw dat de monniken goud verdienen met de Tangka’s – religieuze schilderijen van zijde, borduurwerk en zelfgemaakte verf. Zijn beeld van doodarme lama’s wordt hier op zijn minst genuanceerder door.

Uit de blikken en verbaasde reacties van de monniken valt af te leiden dat Wang Juan en Regezang beslist geen doorsnee paar vormen. Als hij de monniken aanspreekt in het dialect van Amdo, zoals deze regio van Groot-Tibet heet, volgen er nieuwsgierige vragen. Wang Juan wordt door een andere Han-Chinese vrouw steels, maar toch nadrukkelijk bekeken als Regezang een arm om haar schouder legt.

Interraciale relaties zijn in China met meer dan 56 etnische volken geen uitzonderlijk, maar evenmin een wijdverbreid verschijnsel. Zeker niet als het om Tibetanen en Han-Chinezen gaat. Tibetanen bewaken hun cultuur en religie, Han-Chinezen voelen zich verheven boven het herdersvolk.

„Zelf zat ik ook vol met vooroordelen”, vertelt Wang Juan, „net als ieder ander Han-Chinees meisje was ik opgevoed met het idee dat Tibetaanse mannen dieven en messentrekkers zijn”.

De vooroordelen smolten weg toen zij vanwege haar journalistieke werk de Tibetaanse gebieden en de mensen, en dan vooral Regezang en zijn familie, beter leerde kennen.

„In China gaat het alleen maar om geld en de groei van het bruto nationaal product, het spirituele speelt geen rol meer, het milieu wordt kapot gemaakt’’, zegt Wang Juan.

„Ik werd vanaf de eerste dag door zijn vader geaccepteerd. Zijn moeder was aanvankelijk heel gereserveerd, maar dat komt ook omdat Regezang haar jongste kind is en enige zoon en ik ouder ben”, vertelt zij.

Haar ouders hebben hem nog niet geaccepteerd. Vooral haar vader is zeer ontstemd over zijn dochters keuze en had gehoopt dat zij met een afgestudeerde Han-Chinese man met werk, auto en een huis zou thuiskomen. „Regezang geaccepteerd krijgen in mijn familie is ons volgende grote project’’, lacht zij een beetje gespannen.

„Misschien is het beter als ik eerst werk heb”, zegt Regezang, die enorm tegen een ontmoeting met meneer Wang opziet. In zijn Plan A staat een Tibetaans eethuis met yoghurtspecialiteiten in Shanghai centraal, plan B is Engels leren en werk zoeken in een koffieshop. Niet eenvoudig, want Tibetanen zijn, net als Oeigoeren en Hui, niet echt welkom in Shanghai, of welke andere Chinese stad ook.

Behalve tempels willen Wang Juan en Regezang de zomervakantie ook een eerste bezoek brengem aan zijn opa, de 91-jarige Dunzhi, en een wandeltocht maken door diens dorp aan de bovenstroom van de Gele Rivier.

Het is te heet (36 graden) en te ver (75 kilometer) om helemaal te lopen. Opa verwelkomt zijn kleinzoon en zijn vriendin met open armen, maar beloert de taxichauffeur, een Hui-Chinees, met grote argwaan. „Wat moet die vervloekte Hui-moslim in mijn huis? Zijn 56-jarige dochter maant hem tot beleefdheid.

Later legt hij uit dat de Tibetanen in deze regio nooit grote problemen met de communisten van Mao Zedong hebben gehad, maar dat zij wel hebben geleden tijdens het bewind van Hui-krijgsheer Ma Bufang (1903-1975) die tot het stichtingsjaar van de Volksrepubliek 1949 de Tibetanen terroriseerde en zelfs bombardeerde. Dat gebeurde in opdracht van Chang Kai-shek, toenmalig leider van de Republiek China, die de basis legde voor het beleid dat tot de annexatie van Tibet zou leiden. Tienduizenden Tibetanen verloren in helse omstandigheden het leven.

,,Ik haat de Hui voor wat zij ons hebben aangedaan’’, zegt de hoogbejaarde Tibetaan.

Kleinzoon Regezang streelt hem over zijn reumatische handen en Wang Juan serveert fruit. De broer van zijn opa, een 81-jarige monnik, komt er bij zitten. Regezang kent opa’s broer alleen bij diens roepnaam ‘ake’ en dat betekent monnik. Met gespierde armen en handen als bankschroeven reinigt ‘ake’ met tarwevlokken en zijden doeken de gebedsschalen en zegt: „De Chinezen hebben mij vijf jaar gevangen gehouden en gedwongen te trouwen, maar er is in mijn hart geen plaats voor haat tegen de Hui of de Han.”

Wang Juan hoort dat met vertederde blik aan en zegt geëmotioneerd: „Ik voel mij hier helemaal thuis.”