Oerman Anton

Zorgvuldig plakte een grimeur een ringbaard rond de vierkante kaak van Anton Geesink. De beroemde judoka was door de Italiaanse filmregisseur Marcello Baldi uitverkoren de rol van de onoverwinnelijke Samson te vertolken.

Het was al weer een tijd geleden dat Geesink zichzelf in die rol zag. Zonder een spier te vertrekken keek Anton Geesink in de televisiestudio van Holland Sport naar zijn filmcreatie uit 1965.

Zijn tegenspeelster was een actrice met de ogen van Sophia Loren en het lijf van een godin.

„Rosalba Neri”, riep ik. Anton Geesink keek stoïcijns voor zich uit. Ik, nog een keer: „Rosalba Neri!”

Zo’n oerman met zo’n oervrouw. Dat moest spannend geweest zijn op de set, en wie weet daarbuiten.

Geesink lachte om de flauwe insinuatie: „Ach, mijn vrouw was voor een groot gedeelte bij de opnames. En die actrices waren in die tijd wat minder hartstochtelijk, daar heb ik onder te lijden gehad.”

De oud-judoka was onwrikbaar. Het was een woord dat Anton Geesink goed paste. Onwrikbaar. Als hij ergens zijn zinnen op zette, werd het bereikt. Goedschiks of kwaadschiks.

Hij zag beelden terug van een training uit 1956. Een Utrechtse jongen met een borstelkop, die tijdens een training zijn lichaam verder perfectioneerde. „Ik was vroeger een enorm schriele vent, op mijn zestiende woog ik maar 56 kilo. Ik moest opboksen tegen die echte mastodonten.”

„Huppetee”, was het commentaar van Geesink bij het terugzien van een heupworp. Huppetee. Dat zeg je als je een mud kolen in een vrachtwagen gooit. En zo zag het judo van Geesink er ook uit. Alles met speels gemak.

De schriele jongeman kreeg een enorme borstomvang en brede schouders. „Goed gevoed, serieus geleefd”, zei Geesink, toen net zeventig jaar geworden. „Ik was1 meter 98. Dat ben ik nog, trouwens. Ik krimp niet, mijn botten schijnen nog erg goed te zijn.”

Een paar jaar eerder had ik geprobeerd hem te strikken voor een gesprek op de massagetafel. Ik had het imposante lijf wel eens half bloot voor me willen zien. Hij hield de boot af. Nee was nee.

„Judo was fijn om te doen en het was fijn om met je lichaam bezig te zijn.” Fijn met je lichaam bezig te zijn. Ik krijg normaal gesproken jeuk als ik dat zinnetje hoor. Maar Geesink bedoelde het zoals het was: trainingspak aan, bos in, op zoek naar een paar omgehakte boomstammen en daar dan oefeningen mee doen. Dat was fijn sporten, in zijn ogen.

De uitzending zat erop. Geesink wilde graag meteen door. In de foyer werden net schalen met borrelhapjes op tafel gezet. Geesink keek er verlekkerd naar. In allerijl werd een speciaal plateau voor hem gemaakt, met cellofaan eroverheen, dan kon hij in de taxi eten.

Geesink liep naar de klaarstaande taxi. Hij wurmde zich op de achterbank en zette de schaal met borrelhapjes op schoot.

In de haast was Geesink vergeten zijn zender af te doen. Het microfoontje zat nog vast aan zijn blauwe trui. Terwijl de taxi de straat uitreed, kon de geluidtechnicus aan het smakken horen hoe Geesink de gehaktballen en de vlammetjes tevreden in zijn mond stak. Het eten verdween in het grote lijf dat zoveel nodig had en in al die jaren zoveel had gegeven.

Het geluid werd snel slechter. Gekraak. Tot Anton Geesink niet meer te horen was.