Mijn vriend Orlando

‘De dag is heel warm geweest, vol broeiend en niet uitgebarsten onweer, maar nu, na ons souper op het terras, steekt een bries op, als ene onzichtbare, weldadige daimon, met duidelijk voelbare, heel grote vlerken. En het wordt nacht, het wordt de zalige nacht. (…) Het is zalig diep adem te halen. Op het terras, op twee lange stoelen, liggen Orlando en ik, en de rieten fauteuil van zijn zuster, Elettra, is op het ogenblik leeg, omdat zij in de achter ons even verlichte eetkamer bezig is een koele drank te bereiden met Salvatore, de knecht. Dat is Asti-spumante in Champagnebekers, vol heel kleine stukjes ijs en heel kleine stukjes perzik. Orlando en ik wachten er op, en ik voel aan mijn lippen een verlangen naar dat ijs en die perzik en die Asti…En ik vind, dat Elettra er wel heel lang aan bezig is.”

Aan het woord is Louis Couperus in een bijdrage aan het tijdschrift Groot-Nederland in februari 1910. Ik dacht aan deze passage toen ik een stukje perzik in mijn mond stak en een slokje witte wijn nam – lekker eigenlijk bij elkaar …schonk Elettra niet zoiets? Zo gaan de gedachten van een lezer, de onbelangrijkste details worden soms opgeslagen, en verraden waar men extra goed oplette: bij die asti… (je kunt wel zien dat ik net wat in Couperus heb zitten lezen, een wild verlangen naar het gebruik van drie puntjes, zo overal losjes doorheen gestrooid, heeft me in zijn greep.)

Het is een verrukkelijk stuk van Couperus, het heet Lof der luiheid, maar hij overwoog ook om het Mijn vriend Orlando te noemen, zo schrijft hij. Het gaat ook zeker over Orlando, en over luiheid, over het vermogen tot luiheid van Orlando.

Couperus’ Italiaanse vriend Orlando is een figuur over wie veel speculaties bestaan. Is er ooit zo iemand geweest? En wie was dat dan? De biografisch onderzoekers weten het niet. Er zijn vermoedens, maar een duidelijk levend model voor Orlando Orlandini is niet gevonden. Toch heeft mevrouw Couperus na de dood van haar man ooit verklaard dat Orlando geleefd had, zeker wel. En in een brief aan zijn uitgever noemt Couperus hem ook – dat geeft toch te denken dat het niet uitsluitend om een mystificatie gaat. Al is er zeker een deel mystificatie bij en verlangen en dweperij.

Bij luiheid en zomer past zomerfruit. Hoewel de zomer op zijn eind loopt komt veel fruit nu juist pas goed op gang: de pruimen vallen met emmers tegelijk uit de bomen en de perziken zijn nog heerlijk. Een lekkere ‘gratin de pêches’, even gegratineerde perziken met daarbij een glaasje asti spumante of andere mousserende wijn zou een zomers gevoel geven. Het zou Couperus en Orlando denk ik ook wel bevallen hebben.

Schil de perziken. Snijd ze in tweeën en verwijder de pitten. Laat de boter en de suiker in een koekenpan smelten onder geregeld omroeren, het moet een homogeen mengsel worden. Doe de gehalveerde perziken in dit suikermengsel en zorg dat ze goed voorzien raken van het botersuikermengsel. Leg ze dan in een ovenschaal. Verdun wat er over is aan stroperigheid in de pan met een eetlepel abrikozenlikeur en giet dat over de perziken. Zet ze onder de ovengril tot ze mooi lichtbruin zijn. Verwarm vlak voor het opdienen de rest van de abrikozenlikeur in een diepe soeplepel en houd daar een lucifer bij. Giet de brandende likeur over de perziken en serveer ze.