Lege zalen in het Stedelijk

Na bijna 7 jaar stilte is het Stedelijk Museum weer open.

Ann Goldstein, de nieuwe directeur, heeft haar eerste expositie ingericht. En die valt tegen.

Voor een beetje liefhebber van moderne kunst voelt de heropening van het Amsterdamse Stedelijk Museum alsof je een lang verloren geliefde opnieuw in je armen mag sluiten – tinteling en hooggespannen verwachting. Hoe ziet het gebouw eruit? Wat voor werken exposeren ze? Het begint in ieder geval goed: bij binnenkomst blijkt de hal (met de ontvangstbalie nu in het midden) uitnodigender dan ooit.

De gestreepte hoeken van Daniel Buren zijn bijgekwast, de deuren van de Appelbar staan open en in de verte ligt de trap – die brede, majestueuze trap waar Gilbert & George ooit als levende standbeelden poseerden en die door Ger van Elk al eens met een groot doek in tweeën werd gedeeld. Meteen weet je ook weer waarom het Stedelijk zo bijzonder is: er is bijna geen museum waarvan de status zozeer samenvalt met zijn geschiedenis, met de keuzes van de opeenvolgende directeuren. Nu, na bijna zeven jaar stilte en leegte, wordt daar eindelijk weer een hoofdstuk aan toegevoegd. En dus bestijg je met hoge verwachtingen die trap. Op de eerste verdieping heeft Ann Goldstein, de nieuwe directeur, haar eerste expositie ingericht.

Vooraf was al duidelijk dat Goldstein met Taking Place in ieder geval aan een traditie ging vasthouden: directeuren van het Stedelijk koesteren schaamteloos hun eigen voorkeur. Zoals De Wildes directoraat werd gedomineerd door een Grande Parade van schilders, en dat van Fuchs nog het meest leek op het te lang uitgelopen feestje van de herenclub, zo maakt Goldstein – wier bekendste exposities titels droegen als A Minimal Future? en Reconsidering the Object of Art – duidelijk dat ze niet van plan is haar liefde voor hardcore conceptualisme in te tomen.

Daarvoor heeft ze een goed excuus: de meest spraakmakende tentoonstelling uit de Stedelijkgeschiedenis is Op losse schroeven (1969) die de doorbraak betekende van precies deze generatie kunstenaars. Dus zijn bijna alle godfathers aanwezig: Stanley Brouwn, Jan Dibbets, Ger van Elk, Daniel Buren, Hans Haacke, On Kawara en Lawrence Weiner met sober, kaal, soms zelfs bijna onzichtbaar werk. En dat is precies de bedoeling, volgens Goldstein, want door die soberheid krijgt de bezoeker de gelegenheid kennis te maken met het vernieuwde gebouw.

Aan dat gebouw zal het niet liggen, de komende jaren. De zalen en gangen zijn door Benthem Crouwel prachtig gerestaureerd, waarbij het duo een perfecte balans vond tussen het welbevinden van de toeschouwer en goede omstandigheden voor de kunst. Het lijkt ook wel of Goldstein en haar curatoren daardoor zijn geïnspireerd, want Taking Place is opvallend zorgvuldig en met liefde ingericht – op zich al een genot. Toch kan dat niet verhullen dat de expositie zucht onder een groot manco: Goldstein heeft de sentimenten en verlangens die na jaren van sluiting rond het Stedelijk heersen volstrekt verkeerd ingeschat.

Na jaren zonder fatsoenlijk museum voor hedendaagse kunst verlangen verreweg de meeste toeschouwers naar een optimistisch statement dat laat zien dat er nog leven zit in de kunst in de hoofdstad, naar een expositie die de kunst, haar mogelijkheden, haar toekomst viert.

En wat doet Goldstein? Die levert het tegenovergestelde. Taking Place is boven alles een les van een strenge juf die ons inpepert dat we van kunst niet te veel verwachtingen moeten koesteren. Vooral geen illusies.

De misrekening begint ermee dat Goldstein een groot aantal zalen leeg laat, zogenaamd dus om aandacht te vragen voor de architectuur: een volstrekt nodeloze geste die negeert dat museumarchitectuur altijd in dienst staat van de kunst. Vervolgens lijkt ze haar werken vooral te hebben geselecteerd op criteria als soberheid en trouw aan het conceptuele gedachtegoed. Van Ger van Elk bijvoorbeeld koos ze The Well Polished Floor Sculpture, een ‘remake’ van een werk uit 1969 waarbij de kunstenaar een driehoek op het nieuwe museumparket zo perfect heeft geboend dat die gaat glanzen – goed en geestig, maar op dit moment, op deze plaats, eerder een historisch statement dan een zinvolle bijdrage aan de actualiteit. Je vraagt je wel af waarom Goldstein zich zo nadrukkelijk terugtrekt in de wereld van kunst en museum. Ze heeft de ‘jongere’ kunstenaars in haar ensemble er zelfs op uitgekozen: zowel Mario Garcia Torres (wiens werk wel erg aanstekelijk is), Willem de Rooij, Roman Ondak als Navid Nuur richten zich allemaal braaf naar binnen. De enige ‘jonge’ uitzondering is Germaine Kruip: haar draaiende, spiegelende lamellen met uitzicht op de Paulus Potterstraat werken, in al hun soberheid, verrassend goed.

Zo, dwalend door Goldsteins opening, vraag je voortdurend af wat de nieuwe directeur wil zeggen met deze historiserende, in zichzelf gekeerde expositie. Wil ze al bij voorbaat duidelijk maken dat ze niet gelooft in kunst die zich verhoudt tot het leven buiten het museum? Dat het Stedelijk zich niets gaat aantrekken van actuele ontwikkelingen? Zelf noemde Goldstein haar tentoonstelling tijdens de opening een ‘liefdesbrief’ aan het Stedelijk, de kunstenaars en het publiek. Afgaande op Taking Place ben je geneigd te denken dat het met die liefde voor de kunst wel goed zit, met die voor het museum vast ook wel, maar dat we als toeschouwers met Goldstein als minnares koude nachten tegemoet gaan.

Tentoonstelling

Taking Place

T/m 9 januari 2011, Stedelijk Museum, Amsterdam. ***

Meer informatie op www.stedelijk.nl