Haïtianen hopen op een eigen stukje grond

Ruimte is schaars in het Haïti na de aardbeving. Slachtoffers vestigen zich in tenten naast de officiële kampen en bouwen er huisjes, anticiperend op een officiële grondtoewijzing.

Als de ruïnes van Port-au-Prince uit beeld zijn verdwenen gaat het landschap buiten de stad over in kale, droge vlaktes met gebergten op de achtergrond. Hier lijkt niets te groeien. Slechts volhardend struikgewas zorgt voor wat groen. Maar bij Bon Repos, een half uur rijden van de Haïtiaanse hoofdstad, duiken plots allerlei tenten op, verspreid onder de fel schijnende zon.

De zelfgemaakte tenten nemen in aantal toe naarmate het officiële tentenkamp Curail dichterbij komt. De hutjes en hun bewoners sluiten Curail volledig in. In het officiële kamp legt bewoner Ebelio Pierre uit waarom. Hij zegt: ,,De mensen die rond het kamp wonen hopen een plekje hier te krijgen. Zodra de mogelijkheid zich aandient zullen ze hun hele hebben en houden hiernaartoe verhuizen.” In de tent van Pierre is het net een sauna. Tevergeefs haalt hij een doek over zijn voorhoofd.

Direct na de aardbeving op 12 januari zaten Pierre en zijn familie in een van de grootste kampen in Port-au-Prince, gelegen op het terrein van Club Pétionville, voorheen een exclusieve golfclub. Maar uit vrees dat de tenten bij hevige regen kunnen wegspoelen van de hellingen van de golfbaan is een deel van het kamp verplaatst naar Bon Repos.

Voorheen had Pierre een eettentje langs de straat. Hij wilde graag naar het nieuwe kamp, ook al ligt het ver buiten de stad, in het midden van niets. In Port-au-Prince woonde hij voor de aardbeving in een huurhuis. In de toekomst hoeft dat misschien niet meer. ,,Wellicht krijgen we het stuk grond waar onze tent op staat straks toegewezen als eigendom”, zegt hij hoopvol. Het is een wens die alle bewoners van het nieuwe kamp koesteren.

Logisch, zegt Peter Rees-Gildea, coördinator van het cluster van hulporganisaties dat verantwoordelijk is voor tenten. Het landeigendom is in handen van een kleine rijke elite. De arme meerderheid heeft niets. ,,Het probleem in dit land is dat slechts 5 procent van het grondbezit is geregistreerd”, zegt hij. ,,Het is vaak onduidelijk wie de echte eigenaren zijn.”

Sinds de aardbeving zijn er slechts twee nieuwe tentenkampen opgetrokken buiten de stad, waaronder het kamp Curail. Daar mogen slachtoffers van de beving, die aanvankelijk in tenten op riskante plekken in de stad bivakkeerden, zich huisvesten. Vooralsnog zijn er zo’n 1.700 families verkast naar de nieuwe locaties.

Grondperikelen houden het werk van de hulpverleners echter op. Er is veel meer ruimte nodig voor de nieuwe kampen, maar het lukt de overheid niet om grond te reserveren vanwege onduidelijkheid over eigendomsrechten. Rond Curail is bijvoorbeeld land genoeg voor de noodzakelijke uitbreiding, maar het groene sein van de regering voor expansie blijft uit. Ondertussen wachten duizenden families op een plek in een nieuw kamp.

Rees Gildea: ,,Tegelijkertijd hebben we meegemaakt dat de overheid mensen dwingt te verhuizen omdat de risico’s van de regen te hoog zouden zijn, terwijl hun tenten op veilige terreinen staan. Dan blijkt het om een ordinaire landdeal te gaan.” Zelfs over het Curail-kamp bestaat onzekerheid. Het terrein mag voor drie jaar gebruikt worden, maar wat er daarna gebeurt weet niemand. Het land is geen eigendom van de staat.

Het kamp zelf is goed georganiseerd, met voor iedere vijf families een toilet. Er is bewaking en een aantal internationale organisaties, zoals Unicef, is er neergestreken. In sommige tenten zijn mensen winkels of naaiateliers begonnen. Er zijn houten barretjes.

In een van de tenten met winkels zit Camille Prenor, een 39-jarige moeder van twee kinderen. Aanvankelijk verveelde ze zich in het kamp, totdat ze besloot haar oude handel weer op te pakken. Nu heeft ze een kastje met drie planken waarop voedingsproducten en zepen staan uitgestald. ,,Het kost meer geld, omdat je de spullen vanuit de stad hier naar toe moet vervoeren. Maar dat bereken je door in de kosten.”

Hoewel de meeste bewoners tevreden zijn over het leven in het kamp zijn er ook kritische geluiden. Ebelio Pierre wijst er op dat het typisch Haïtiaans is dat zelfs een kamp dat is georganiseerd door internationale organisaties niet zeker van zijn toekomst is. Hij zegt: ,,Waarom beslist de regering niet meteen dat de mensen hier permanent mogen blijven? Anders wordt het hier een rotzooi, een sloppenwijk. Nu is er de gelegenheid om hier iets structureels op te bouwen voor de mensen, zodat we niet afhankelijk blijven van hulp”, zegt Pierre.

Tegen het officiële kamp schurken van alle kanten geïmproviseerde kampementen aan. Daarmee anticiperen slachtoffers van de aardbeving op een eventuele uitbreiding van het kamp. In deze niet-gereguleerde kampen bouwen mensen nieuwe huizen, alsof het hun eigen grond is. Het toont dat ook zij de hoop hebben dat de overheid straks iedereen een stukje grond geeft.

Een van de huizen in aanbouw is van dertiger Charles, die zijn achternaam niet wil geven. ,,Waar moeten we anders naartoe?”, zegt hij. „Als we nu zelf een wijk bouwen, wordt het in de toekomst lastiger om ons weg te sturen.”