Ankara kán niet eens aan die voorwaarden voldoen

Hardnekkig blijven inzetten op toetreding van Turkije verzwakt de EU juist.

Bovendien levert een EU-lidmaatschap het land grote interne problemen op.

Fred van Staden grijpt hiernaast het pleidooi van de Britse premier Cameron voor een Turks EU-lidmaatschap aan voor een geostrategisch gefundeerd betoog om de stagnerende onderhandelingen vlot te trekken. Hij gaat alleen voorbij aan twee punten: de beweegredenen van Londen en, in samenhang daarmee, of zo’n toetreding überhaupt wel mogelijk is.

‘Turkije en Europa’ is een van die thema’s waarbij internationaal wensdenken de westerse beleidselite massaal de ogen voor de taaie culturele en politieke werkelijkheid ter plekke doet sluiten. Van Staden constateert een impasse in het toetredingsproces, maar gaat vrijwel niet in op het waarom ervan: op het feit dat Ankara alsmaar niet aan een aantal cruciale voorwaarden wil voldoen. Of beter: niet kan voldoen, omdat dat voor grote interne problemen zou zorgen – en dan liggen, bij alle toetredingsbegeerte, de Turkse prioriteiten op concrete momenten anders dan de Europese Turkije-fans alsmaar hopen.

Om te beginnen is er de kwestie-Cyprus. Het is zeker niet zo dat de schuld voor de onoplosbaarheid eenzijdig bij Ankara ligt. Maar Brussel heeft indertijd, teneinde de toetreding van acht voormalige Oostbloklanden niet door Griekenland geblokkeerd te zien worden, Athene (Grieks) Cyprus de EU in laten chanteren. En dat heeft consequenties. Men kan onmogelijk een nieuw land toelaten dat weigert een huidige lidstaat te erkennen.

Omgekeerd is het opgeven van Turks Cyprus voor Ankara een brug te ver. Juist voor de huidige AKP-regering komt dat op zelfmoord neer, omdat de seculiere Turkse nationalisten dit – gezien het trauma van de mede door Europese mogendheden bewerkstelligde onttakeling van het Ottomaanse Rijk – als landverraad aan de kaak zouden stellen.

Daarin is het basisprobleem gelegen, waaraan ook Van Staden voorbijgaat: dat de gebruikelijke Europese parameters voor vooruitgang voorbij de Bosporus niet opgaan. Atatürk was geen Thorbecke, maar meer een kruising tussen Robespierre en Mussolini – zoals zijn megalomane mausoleum in Ankara illustreert. Het seculiere, pro-westerse karakter van het moderne Turkije is in hoge mate kunstmatig, want dwangmatig. Het wordt – net als bij veel pro-westerse seculiere staten verderop, zoals Egypte – gedragen door een zelfzuchtige autocratische elite die zich aan de ‘gewone’ bevolking weinig gelegen heeft laten liggen. Politieke democratisering betekent daarmee in Turkije onvermijdelijk een zekere culturele islamisering en dus mentale verwijdering van Europa. Dat verklaart ook de oppermachtige positie van het leger: garant voor het seculiere karakter van Turkije, maar in strijd met de beginselen van rechtsstaat en democratie.

Dat oppermachtige leger moet ook een tweede levensleugen van het kemalistische (de ideologie van Mustafa Kemal Atatürk, red.) Turkije schragen: dat van een etnisch homogene natiestaat. Zodra Turkije democratischer wordt, komt direct het Koerdische en Armeense probleem op tafel. Dat het taboe daarop zo groot is, vloeit voort uit de angst dat Turkije mogelijk uiteenvalt – opnieuw indachtig de ervaringen in en na de Eerste Wereldoorlog, toen Atatürk met moeite wist te verhinderen dat het Turkse grondgebied tot het Anatolische binnenland werd gereduceerd.

Voor Ankara wegen deze risico’s, begrijpelijk, allemaal zwaarder dan een, hoe aantrekkelijk ook, EU-lidmaatschap. Daarom stokken de interne hervormingen. Omgekeerd kan Europa, na het debacle met Bulgarije en Roemenië, niet opnieuw de feitelijke toetredingsdrempel drastisch verlagen en de hardnekkige, in het kemalisme ingebakken misstanden negeren: dat doet aan de morele geloofwaardigheid van Brussel afbreuk, en zal zo de euroscepsis bij de Europeanen enorm doen toenemen. Hardnekkig blijven inzetten op toetreding van Turkije zal daarmee Europa niet versterken, maar verzwakken. Alleen in een veel losser Europees verband zou voor het op cruciale punten onhervormbare Turkije ruimte zijn.

Dat is precies de reden van het nu door Van Staden zo dankbaar omhelsde, maar niet doorgronde Turkije-enthousiasme van de Britse Conservatieven. Omdat alleen zo hun oriëntatiespagaat tussen Brussel en Washington vol te houden valt, willen zij een groot, want zwak Europa, onder het motto: hoe meer zielen, hoe minder vreugd. Terecht stelt Van Staden dat Nederland niet, als Groot-Brittannië, gewend is in geopolitieke termen te denken. Maar het komt dan wel op de juiste interpretatie van die Britse geopolitieke motieven aan.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.