Als vogels fluiten, wat vertellen ze elkaar dan?

Als hij in zijn tuin in Leiden naar de koolmezen luistert, kan Peter-Paul Sloekers zich niet voorstellen dat het alleen maar ‘ik ben hier en dit is mijn territorium’ is wat ze elkaar toefluiten. Vertellen ze niet meer, vraagt hij zich af.

Dat zou je inderdaad verwachten, zegt de Leidse hoogleraar gedragsbiologie Carel ten Cate. „Toch is territoriumafbakening de belangrijkste boodschap.” Wel zit er nog andere informatie in het getjilp verstopt. Oudere dieren hebben volgens Ten Cate een gevarieerder wijsje dan jonkies. Het gegeven dat een vogel ouder is, en dus al jaren heeft overleefd, maakt het mannetje voor een vrouwtje bijvoorbeeld extra aantrekkelijk, terwijl dat een ander vogelmannetje juist angst kan inboezemen. Die laatste denkt: uit de buurt blijven. Het is dus vooral een kwestie van interpretatie.

Behalve een vast melodietje kennen vogels volgens Ten Cate ook andere geluiden – de zogenoemde ‘roepjes’ – waarmee ze alarm slaan als er bijvoorbeeld een roofvogel overkomt. Sommige vogels die verwikkeld zijn in een agressief conflict kunnen in hun liedje bedreigende elementen benadrukken, door bepaalde maten te herhalen.

Vogelgefluit is echter niet grammaticaal te ontleden, zoals we dat met mensentaal doen. Liever dan met taal vergelijkt Ten Cate de vogelzang met menselijke spraak. „Als wij iemand horen die we zien noch verstaan, kunnen we in de regel toch afleiden dat de spreker een manlijke of een vrouwelijke soortgenoot is, uit welk werelddeel of regio hij of zij afkomstig is, of iemand jong is of oud, en ontspannen of kwaad.” Zo ongeveer werkt het ook bij vogels.

Als het territorium eenmaal is afgebakend, gebruiken buurvogels van dezelfde soort hun liedjes ook om de staat van bezetting te bevestigen, zegt etholoog Frans van der Helm. Dat gaat van ‘ik ben er nog, ben jij er nog?’. Het is voor een vogel handig om te weten waar soortgenoten zitten, voor het geval ze samen een vijand, neem een uil, willen aanvallen. Is het nooit ‘lekker geslapen buur, bakkie doen?’. Nee, zegt Van der Helm. „Het zijn geen hele verhalen.”

Als je een vogeltje bent is het geruststellend als je je vaste buurman hoort roepen. Dan zit die tenminste niet in stilte te vozen met je vogelvrouwtje. „Want ook zogenaamde monogame vogels zijn zo overspelig als de pest”, zegt Van der Helm. „Een vrouwtje laat zich graag stiekem bevruchten door een buurman die aantrekkelijk zingt.” Stilte klinkt voor buurvogels dus vaak bedreigender dan het flierefluiten – je weet nooit wat je buurman stilletjes uitspookt.

Leonie van Nierop