'We waren niet meer compleet'

Door de oorlog in Indië werd het gezin van Henriette van Leer (1938) gesplitst. ‘Na de oorlog zag mijn vader Bram voor het eerst.’

‘Ik herinner me losse dingen. Dat mijn moeder een groen speelpakje voor me gehaakt had, en dat iemand dat toen van de waslijn pikte. Dat we stijfsel aten, ‘blubberpap’: het lag als een steen op de maag, maar je had zo weer honger. Dat we grote, gebakken slakken kregen, die ik pertinent weigerde te eten. Dat we stiekem door de gordijnen gluurden naar een cabaretoptreden.

„Dat er tijdens een voedseldropping een parachute niet openging, en dat er toen een vrouw door zo’n kist met eten verpletterd werd. Op de plek van het ongeluk vonden we alleen nog platgeslagen groene blikjes en dopjes van tubes.

„Ik zat met mijn moeder, mijn zus en mijn broertje in de vrouwenkampen Tangerang en Adek op West-Java. Johan, mijn oudste broer, zat in een mannenkamp, en mijn vader was door de Japanners geïnterneerd en naar de Jaarmarkt in Soerabaja gebracht. Deze foto heeft mijn moeder voor hem laten maken, in maart 1942; ze was al in verwachting van mijn jongste broertje. Op de verjaardag van keizer Hirohito op 29 april mochten we mijn vader in de Jaarmarkt bezoeken, en toen heeft ze hem de foto kunnen geven. Op haar vraag hoe de baby moest gaan heten, zei mijn vader: noem hem maar Bram, als het een jongetje is. Dat heeft ze gedaan.

„Hoe of wanneer mijn ouders elkaar ontmoet hebben weet ik niet. Mijn vader was de zoon van een schoenmaker; de vader van mijn moeder was een bibliofiel met een enorme boekencollectie. Mijn moeder kon goed leren, ze heeft zelfs een jaar wiskunde gestudeerd. Daarna is ze gaan werken.

„Mijn ouders deelden een grote liefde voor muziek. Mijn vader had een prachtige stem, een bariton, en mijn moeder speelde cello en piano. Ze begeleidde hem vaak; ze gaven samen optredens. In de Hollandse kring in Soerabaja waren ze een bekend duo. Mijn ouders waren na hun huwelijk in 1926 samen naar Indië gegaan; mijn vader werkte toen al een paar jaar bij het suikerproefstation in Pasoeroean. In 1934 werd hij ontslagen wegens de crisis, maar hij vond een nieuwe baan als journalist bij het Soerabaiasch Handelsblad.

„Na de bevrijding werd ons gezin herenigd in het Wilhelminakamp in Singapore. Daar zag mijn vader Bram voor het eerst, en kreeg mijn moeder het bericht dat haar moeder, broer en zus in concentratiekampen waren omgekomen.

„In mei 1946 werden we met de Johan de Wit naar Nederland vervoerd. Toen mijn vader een baan bij de Rijksvoorlichtingsdienst in Semarang werd aangeboden, konden we nog drie jaar terug naar Indië. Voor mij was dat een fijne tijd. Johan en Liesbeth bleven in Nederland om de middelbare school af te maken.

„In 1951 keerden we definitief terug, en betrokken een flat in Den Haag. Johan werkte toen al bij Philips in Eindhoven. Later vertrok hij naar de VS; daar woont hij nu nog steeds. Eigenlijk is ons gezinsleven door de oorlog nooit meer hetzelfde geworden. We waren niet meer compleet.

„Mijn vader kwam fysiek zeer krakkemikkig uit het kamp. Hij heeft als een van de weinigen de torpedering door de Engelsen van het Japanse vrachtschip de Junyo Maro overleefd. Maar het was een aimabele man die graag mensen om zich heen had. Er klonk altijd muziek bij ons thuis, we hielden van cabaret, we gingen naar concerten en toneel. Mijn moeder stimuleerde ons om veel te lezen.

„Over de oorlog werd niet gesproken, nooit. Maar mijn ouders konden niets weggooien. Mijn moeder had een koffer waarin ze alle belangrijke familiepapieren bewaarde: brieven, schoolrapporten, alles. Ik heb er pas na haar overlijden in gekeken. Ik had al wel zo ongeveer begrepen wat er in de oorlog gebeurd was, maar ik werd er niet vrolijk van.”

Op het toilet hangen foto’s en een afgeknipt plukje haar van Igor, de kater die negentien jaar bij hen woonde. Er komt een nieuwe, net zo mooi.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl