Vanwaar toch die angst voor Wilders?

Bart Fleuren (24) is jurist en filosoof en lid van het CDJA.

Gedurende de eerste paar weken verliepen de onderhandelingen voor een rechts kabinet onder leiding van informateur Opstelten relatief ongestoord. Nu echter neemt de onrust binnen het CDA toe: nog voordat de onderhandelaars een voorlopig resultaat hebben bereikt, komt men al met petities, ingezonden brieven en televisieoptredens voor en tegen de samenwerking met de PVV.

CDA’ers keren zich tegen Geert Wilders vanwege zijn harde uitspraken over allochtonen, zijn onconventionele stijl, zijn wens om te snijden in ‘linkse hobby’s’ zoals ontwikkelingssamenwerking, maar vooral tegen zijn voorgewende aanval op de rechtsstaat en de vrijheid van godsdienst. Wilders zou de bouw van moskeeën willen tegenhouden, geen moslims meer in Nederland willen toelaten en islamitisch onderwijs willen verbieden. Ook heeft hij gesproken over de ‘kopvoddentaks’, het verbieden van de Koran en het afschaffen van artikel 1 van de Grondwet.

Als Wilders de daad bij het woord zou voegen, zou er inderdaad reden zijn voor angst dat de Nederlandse rechtsstaat in het geding zou komen. De rechtsstaat wordt door professor Kortmann gedefinieerd aan de hand van onder andere vier elementen: (1) de gebondenheid van de overheid aan de wet (het legaliteitsbeginsel) (2) de verdeling van de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht over verschillende organen, (3) toegang tot een onafhankelijke rechter en (4) de erkenning van grondrechten.

Om drie redenen is Wilders echter geen reële bedreiging voor de rechtsstaat, en zijn de bezwaren binnen het CDA eerder op angst, dan op reële mogelijkheden gebaseerd.

Allereerst beheerst Wilders het wetgevingsproces onvoldoende, om de vrijheid van godsdienst bij wet aan banden te kunnen leggen. De PVV zou voor ‘rechtsstaatsbedreigende’ wetsvoorstellen afhankelijk zijn van de medewerking van het CDA en de VVD. Zolang deze partijen hun rug recht houden, is er geen reden om te vrezen dat de Tweede Kamer dubieuze wetsvoorstellen zou aannemen.

Ten tweede is voor de totstandkoming van wetsvoorstellen de medewerking van de Eerste Kamer essentieel. Zelfs al zou de PVV in 2011 zetels in de Eerste Kamer verwerven, dan nog is de Eerste Kamer gezien haar functie en gewoonte gehouden om wetsvoorstellen te toetsen aan de Grondwet en de mensenrechtenverdragen. De senaat bestaat uit wijze mensen, die zich niet gemakkelijk zal laten verleiden tot het goedkeuren van wetsvoorstellen waarin bijvoorbeeld de verkoop van de Koran zou worden verboden.

Ten derde zal zelfs als VVD, CDA en PVV besluiten tot een onrechtmatige beperking van de vrijheid van godsdienst, de rechter in actie kunnen komen. Artikel 120 van de Grondwet bepaalt dat de rechter wetten niet aan de Grondwet mag toetsen, maar krachtens artikel 93 en 94 van de Grondwet hebben eenieder verbindende bepalingen van verdragen in Nederland directe werking. Wanneer de wetgever een wet maakt die de vrijheid van godsdienst aan banden legt, kan de rechter deze wet buiten toepassing laten of zelfs onverbindend verklaren wegens strijd met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Stel nu dat Wilders, daarin gesteund door PVV en VVD, de directe werking van verdragsrechtelijke bepalingen via een Grondwetsverandering afschaft. Dan nog is er geen probleem, omdat het Europese recht sinds de arresten Van Gendt en Loos (1963) en Costa Enel (1964) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap een zelfstandige rechtsorde vormt, die in de lidstaten werkt ongeacht de constituties van deze lidstaten. De Nederlandse rechter zal dus, ook als de Grondwetgever het er niet mee eens is, de overheid aan de mensenrechten moeten houden. Voor zover de Nederlandse rechter dit verzuimt, staat een rechtsgang open in Straatsburg en/of Luxemburg.

Kortom, hoe hard Wilders ook roept dat bijvoorbeeld artikel 1 van de Grondwet moet worden afgeschaft: dit zijn loze uitspraken, die juridisch en politiek niet haalbaar zijn, zolang de rechters en de meerderheid in de Staten-Generaal hun werk goed doen. De angsten binnen het CDA voor samenwerking met Wilders zijn dan ook niet op feitelijke afspraken uit een regeerakkoord of wetsvoorstellen gebaseerd, maar op scenario’s die in het Nederlandse staatsbestel onmogelijk zijn. Het Nederlandse systeem bevat genoeg tegenwichten om afbreuk van de rechtsstaat te voorkomen, zelfs als de wetgever het verkeerde pad op gaat.

De onwil van het CDA om met Wilders te regeren heeft dan ook eerder te maken met het zelfbeeld van de partij als gematigd en moreel verantwoord. Uit het regeerakkoord zal moeten blijken in hoeverre dit zelfbeeld in stand kan blijven. Voordat de onderhandelingen zijn volbracht kunnen er echter nog geen zinnige uitspraken over deze vraag worden gedaan, zeker niet als deze door angst zijn ingegeven.

In plaats van op grond van slecht gefundeerde angsten of politieke onwil afbreuk te doen aan de huidige onderhandelingen, zouden CDA-leden- en prominenten moeten vertrouwen op hun politiek leider, Maxime Verhagen. Hij heeft zich als minister van Buitenlandse Zaken ingezet voor de mensenrechten, en verdient het vertrouwen dat hij dat aan de onderhandelingstafel niet zal nalaten.