Unplugged

De eerste regel. En de rest van de eerste alinea.

Vervolgens de eerste regel van de tweede alinea.

Ten slotte de laatste zin.

Dat is wat velen slechts van deze column zullen lezen, zeker als ze dat op internet doen. Onderzoek dat de oogbewegingen van proefpersonen in kaart brengt, heeft laten zien dat webpagina’s typisch in het bovenstaande “F-patroon” worden gelezen. Als de schrijver geluk heeft, krijgt de derde alinea misschien nog een vluchtige blik en wordt de F een E, maar het grootste gedeelte van een tekst wordt veelal overgeslagen. Kinderen blijken dit patroon niet alleen op het scherm maar ook op papier te volgen.

Maakt het web ons oppervlakkig? Weerhoudt de permanente informatiestroom van e-mails, tweets en sms’jes ons van diepere gedachten? Deze vraag wordt door velen hartstochtelijk met `ja’ beantwoord, recentelijk nog door Nicolas Carr in zijn boek The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains, een uitwerking van een eerder artikel in The Atlantic, waarin Carr beargumenteerde dat Google ons dommer maakt.

Nu heb ik een allergie voor iedereen die beweert dat we in een tijd van culturele verarming leven. Vooral omdat dat gevoel zo gemakkelijk herkenbaar en begrijpelijk is. Want wat is verleidelijker dan de nieuwe tijd, en in het bijzonder de jonge mensen die deze tijd belichamen, weg te zetten als oppervlakkig en lichtzinnig? Als vorige generaties minder ver zijn gekomen en volgende generaties een stap achteruit zetten, dan is de onvermijdelijke conclusie dat de huidige generatie het absolute hoogtepunt van de beschaving is.

Gelukkig zijn er historische voorbeelden te over die laten zien dat dergelijke uitspraken gemakkelijk voorbarig kunnen zijn. De Oude Grieken vonden dat geschreven tekst een goedkoop alternatief was voor een goed getraind geheugen en de geest lui en gemakzuchtig maakte. Bij de uitvinding van de boekdrukkunst werd ook moord en brand geroepen. Boeken zouden ondermijnend zijn en in de zeventiende eeuw sprak men al over de chaotische overvloed aan literatuur. Al zat er een kern van waarheid in deze onheilsboodschappen, toch blijkt vooral hoe moeilijk het is zich een getrouw beeld te vormen van de grote voordelen die technologische doorbraken kunnen brengen. Wat aan de ene kant van de tafel valt, wordt vaak meer dan adequaat gecompenseerd door wat er aan de andere kant bijkomt. Schrift, boeken en internet zijn alle machtige intellectuele hulpstukken gebleken. We kunnen niet meer zonder.

De digitale revolutie, die de ultieme verlossing van de stoffelijke beperkingen van informatie predikt met de belofte dat op een dag alle kennis voor iedereen overal en altijd beschikbaar zal zijn, is een groot cultureel keerpunt. Visioenen dat we in deze eeuw allemaal in vliegende schotels over de aarde zouden vliegen, lijken verder weg dan ooit – zeker als je weer eens ouderwets in de file vaststaat –, maar zo’n vliegende schotel is allang overbodig geworden, omdat we ons veel sneller en efficiënter elektronisch over de wereld kunnen verplaatsen.

Met de komst van het web zijn we vanuit een nauw kanaal ineens de wijde oceaan van informatie opgevaren. Maar de digitale wereld is ook een oceaan in de zin dat er nauwelijks ANWB-wegwijzers te vinden zijn, en dat je te midden van al dat water even gemakkelijk kopje onder kunt gaan als omkomen van de dorst. Het vraagt hogere stuurmanskunst om hier een vaste koers te houden.

Het valt niet te ontkennen dat ons bootje behoorlijk heen en weer slingert op de digitale baren. We leven in een tijd waarin we permanent gebombardeerd worden met informatie. Amerikaanse bureaumedewerkers bekijken zo’n 30 keer per uur hun e-mail. En als de ontvanger niet binnen een half uur antwoordt, dan wordt de verzender boos of bezorgd. Deze tijd verheerlijkt de multitasker. Ik spreek uit ervaring, want ik deed niets liever dan mijn huiswerk op de bank maken met de televisie en de radio aan, en een stripboek en de poes bij de hand. Maar er verschijnt meer en meer onderzoek dat laat zien dat multitaskers helemaal niet zo efficiënt zijn als ze zelf denken. Ze scoren in bijna alle taken slechter dan ouderwetse monomanen. Ze zijn minder geconcentreerd, gemakkelijker afgeleid, slecht in het organiseren en zwak in de overgangen tussen taken. Ze zijn zelfs slecht in multitasken.

Dit tweesnijdend zwaard zien we ook in de wetenschap. Een digitaal verbonden wereld heeft grote voordelen. Het maakt samenwerkingsverbanden mogelijk van een tot voor kort onvoorstelbare grootte – het is niet voor niets dat het web zijn oorsprong vond in een deeltjesversneller – en via een internetverbinding heb ik al lang toegang tot alle natuurkundige artikelen.

Maar de vraag is legitiem of wat wij winnen aan snelheid, schaal en collectieve denkkracht, niet een verlies meebrengt waar het concentratie, focus en individuele keuzes betreft. Is het vandaag de dag nog mogelijk om als versnipperde professor jarenlang over één probleem na te denken? Is het niet tekenend dat de twee grootste wiskundige problemen die de laatste twintig jaar zijn gekraakt – de Laatste Stelling van Fermat en het Vermoeden van Poincaré –, allebei zijn opgelost door een wiskundige die zich bijna tien jaar van de buitenwereld moest afschermen om zo ongestoord en in het diepste geheim te kunnen werken?

Een andere diepe denker, de snaartheoreticus Edward Witten, staat bekend om de pauzes die hij in vraaggesprekken laat vallen. Een interviewer timede zelfs eens zo’n rust: 1 minuut en 36 seconden. Het leek een eeuwigheid te duren. Maar wie is onbeleefder: iemand die direct antwoordt, zonder daar diep over na te denken, of iemand die een lange denkpauze laat vallen om over de vraag te reflecteren. U zegt natuurlijk de eerste. Maar als ik tijdens een gesprek vijf minuten mijn mond houd, begint u zich toch ongemakkelijk te voelen.

De verschraling waar Carr en anderen voor waarschuwen is dan ook binnen de wetenschap een reëel gevaar. Het bedreigt de natuurlijke diversiteit aan methoden, persoonlijkheden en vraagstukken. Het is een wezenlijke verarming als er geen ruimte meer is voor een lange aanloop of een diepe gedachte. Dan doet de wetenschap werkelijk een stap achteruit. Dat geldt ook in breder verband in de samenleving.

De zomerperiode heeft zeker voor velen van u het genoegen en de noodzaak van rust en isolatie weer eens duidelijk gemaakt. Eindelijk heeft u dat dikke boek uitgelezen, die lange tekst geschreven of eens uitvoerig over dat probleem kunnen nadenken. Mij is de zomerstop ook uitstekend bevallen. Zoals voor vele andere onderzoekers is het een gelegenheid me te laten inspireren en opladen.

In die afwisseling ligt wellicht de oplossing voor het digitale dilemma. Geen harde keuze tussen largo of vivace, vóór of tegen de moderne tijd, maar een afwisseling van tempi. Zo nu en dan even de stekker eruit, niet alleen in de zomervakantie. Misschien een e-mailloze vrijdag? Juist een gefragmenteerde wereld die permanent rondtolt met de lichtsnelheid, heeft behoefte aan periodes van rust. Jongere generaties moeten naast de voordelen van snelle verbindingen ook de zegeningen van slow thinking leren kennen, zodat ze weten dat als het moment daar is je de wereld soms klein moet maken om ver te kunnen komen.

En voor degenen van u die naar deze laatste zin zijn gesprongen: neem de rust om ook de rest van de column te lezen. Het zal u goed doen!