Tijdcapsule uit de bagger

In Nederland liggen 1.200 vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog.

In de ochtend van 10 mei 1940, terwijl in de kerk van Oudenrijn de uitvaartdienst van pastoor Boelens aan de gang was, vloog een Junkers-88 van Kampf Geschwader KG30 in westelijke richting over Utrecht. De 96-jarige Gerrit Bax, destijds dienstplichtig soldaat, weet zich nog te herinneren dat het vliegtuig ineens in zuidelijke richting afboog en in het schootsveld van zijn luchtafweergeschut kwam.

Hij vuurde drie granaten af, waarvan de derde volgens hem een voltreffer was. Even verderop zag de toen 27-jarige boerenzoon Buijs het vliegtuig achter in het weiland van zijn vaders boerderij neerstorten. Volgens Buijs, die vier jaar geleden zijn verhaal heeft gedaan, had het vliegtuig nog drie weken liggen branden, voordat de Duitsers de vleugels hadden weggehaald. Later had hij 25 karrevrachten met bagger uit de sloot nodig gehad om het gat te dichten. Allemaal uitgezocht en beschreven door Kees Rasch, voorzitter van de Historische Vereniging Vleuten, De Meern, Haarzuilens.

Archeologisch onderzoek tijdens de recente berging, afgelopen mei, van het wrak heeft nu aanvullende informatie en een nog gedetailleerdere reconstructie opgeleverd. Archeoloog Michel Hendriksen van de gemeente Utrecht wijst op een rasterkaart de plek aan waar het wrak van de Duitse jachtbommenwerper is geborgen. Vakken met grijze en gele sterren geven aan waar hij en zijn collega Jeroen van der Kamp met een metaaldetector concentraties hebben gevonden van aluminium raamstijlen en plexiglas van de cockpit. “De cockpit is door de inslag doorgeschoten en zestig tot negentig meter verderop in stukken terechtgekomen.”

GRANAATTREFFER

Vijf jaar geleden en 1.500 meter noordelijker hadden de Utrechtse archeologen bij de opgraving van een middeleeuwse nederzetting al andere delen van het Duitse vliegtuig gevonden. “Duidelijk met sporen van een granaattreffer. Ze liggen samen met het wrak precies in de baan die Bax beschrijft. Zijn ooggetuigenis klopt dus.” Rond het wrak hebben de archeologen ontplofte patronen gevonden die wijzen op een brand. “Maar alle onderdelen die zijn geborgen zien er nog zo gaaf uit dat het wrak waarschijnlijk niet drie weken heeft liggen branden. We hebben ook geen sporen kunnen vinden van de 25 karrevrachten bagger.” Zaken die bij een doorsnee berging geen aandacht zouden hebben gekregen, maar nu wel.

Dit jaar zijn archeologen in Nederland voor het eerst officieel betrokken geweest bij bergingen van oorlogsvliegtuigen: in april waren archeologen van de gemeente Apeldoorn aanwezig toen een Duitse jager, een Messerschmitt Bf109, die in januari 1944 was neergestort, uit de grond werd gehaald en in mei was het de beurt aan de archeologen van Utrecht.

Een van de drijvende krachten achter de archeologische bemoeienis is Ruurd Kok, provinciaal archeoloog van Utrecht. Al enkele jaren probeert hij zijn collega-archeologen ervan te overtuigen dat het zin heeft om ook in Nederland archeologisch onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog en dus ook oorlogsvliegtuigen te doen. “In Groot-Brittannië heeft English Heritage al in 2002 een gids gepubliceerd voor archeologisch onderzoek van crash sites van militaire vliegtuigen.”

Van minutieus opgraven van oorlogsvliegtuigen is voorlopig geen sprake. Bergen van vliegtuigwrakken – naar schatting zijn er nog ongeveer 1.200 – is vanouds het werk van de Bergingsdienst van de Luchtmacht, bijgestaan door de Gravendienst. Zij doen het met alle eerbied en voorzichtigheid, maar zien het als bodemsanering: belangrijkste doel is het (veilig) uit de grond halen van het wrak en eventuele bommen, munitie en stoffelijke resten. De militaire bergers doen vooraf wel enig historisch onderzoek om te weten wat ze kunnen verwachten, maar het is niet hun hoofddoel. Vondsten leggen ze ook niet vast.

VELDTEKENINGEN

Vliegtuigwrakken uit de oorlog zijn intussen ouder dan vijftig jaar, zodat ze onder de Monumentenwet zouden kunnen vallen. Voor de Bergingsdienst reden voor het eerst archeologen bij bergingen toe te laten. Als proef en onder strikte voorwaarden. “Uit veiligheidsoverwegingen mochten we niet bij het wrak als ze bezig waren”, vertelt Jeroen van der Kamp van de gemeente Utrecht. “Alleen bij pauzes mochten we wat vondsten vastleggen en veldtekeningen maken.” Van der Kamp vond alle voorzichtigheid eerst een beetje overdreven. “Tot ze twee zware bommen aantroffen. En helemaal toen kort erna bij een berging in Duitsland een bom spontaan afging en er enkele doden vielen.”

Van der Kamp en Hendriksen zijn tevreden dat ze van tevoren het hele terrein rond het wrak in kaart hebben kunnen brengen. Het systematisch verzamelen van patronen heeft duidelijk gemaakt dat de munitietrommels van de machinegeweren aan boord munitie van zes verschillende producenten hebben bevat. “Gemaakt tussen 1936 en 1939.” Ze geven een beeld van een op volle toeren draaiende Duitse oorlogsindustrie. De meeste patronen zijn afkomstig van de voormalige Alfred Nobel-fabriek Dynamit A.G., de grootste munitieproducent in die jaren. Maar ook een bedrijf als WKC Weyesberg, Kirschbaum & Co GmbH uit Solingen, bekend om zijn blanke zwaarden, leverde zijn bijdrage aan de munitieproductie.

PLEXIGLAS

“Beide onderzoeken zijn nog maar een eerste stap”, zegt Kok. Het wrak van een oorlogsvliegtuig is volgens hem een tijdcapsule met vele mogelijkheden voor verder onderzoek: aan de hand van bedrijfsnamen op onderdelen zijn economische netwerken te reconstrueren, de ontwikkeling van een type valt te schetsen en de vondst bij Apeldoorn van een stukje plexiglas met daaraan een snipper landkaart maakt duidelijk dat archeologisch onderzoek een alledaags kijkje in de cockpit kan opleveren, met een turende Messerschmitt-piloot die een landkaart voor zich heeft.